Conclusie
1.Procesverloop in feitelijke instantie en in cassatie
eerste cassatieberoep.
tweede cassatieberoep.
2.De oordelen van de rechtbank in de bestreden vonnissen
3.Inleiding en schema van aanpak
4.De ontvankelijkheid van het eerste cassatieberoep
6.Bespreking van de middelen in het eerste cassatieberoep
eerste middelbestrijdt het oordeel van de rechtbank dat [B] niet kan tussenkomen omdat tussenkomst zich niet zou verhouden met de art. 18 en Pro 20 Ow en de in de Onteigeningswet voorziene voortvarende beoordeling van de vordering tot vervroegde onteigening en dat evenmin grondslag voor tussenkomst kan worden gevonden in art. 3 Ow Pro.
de gezamenlijke erfgenamenvan de overleden verweerder ingevolge art. 20 lid 2 Ow Pro kunnen verschijnen om het geding van de derde over te nemen.
nietlijkt te klagen, waarmee ik overigens geenszins wil beweren dat klachten als hierna bedoeld gegrond zouden zijn geweest. Wellicht zouden die klachten reeds zijn afgestuit op de barrière van het (ongeoorloofde) novum in cassatie. Eerste punt: het middel klaagt niet dat de rechtbank de art. 4:1167 tweede Pro volzin (oud) BW en 20 lid 2 Ow heeft geschonden door te miskennen dat [B] ingevolge art. 4:1167 tweede Pro volzin (oud) BW door erfopvolging en onder algemene titel haar overleden echtgenoot [betrokkene 1] is opgevolgd in diens eigendom van de onverdeelde helft van de te onteigenen goederen [13] en dat [B] reeds uit dien hoofde alleszins bevoegd was om afzonderlijk (d.w.z. zonder haar mede-erfgenamen) de procedure van mr. Fraats op de voet van art. 20 lid 2 Ow Pro over te nemen. Tweede punt: het middel klaagt evenmin dat de rechtbank althans (ambtshalve) had moeten onderkennen dat, zelfs als de onverdeelde helft van de te onteigenen gronden nog in een gemeenschap viel tussen [B] en de overige erfgenamen van wijlen [betrokkene 1], [B] ingevolge art. 3:171 BW Pro als deelgenoot [14] bevoegd was in rechte op te treden ten behoeve van de gronden waartoe zij als mede-erfgenaam medegerechtigd is en bevoegd was de procedure van mr. Fraats op de voet van art. 20 Ow Pro over te nemen. We moeten dus de omstandigheid dat het testament van [betrokkene 1] een ouderlijke boedelverdeling volgens oud BW bevatte en de bepaling van art. 3:171 BW Pro wegdenken.
zelftoegang tot de rechter kan krijgen in het geding ter onteigening van de aan hem in (mede-)eigendom toebehorende onroerende zaak. [16] Hij heeft daarbij al dadelijk een aanwijsbaar concreet belang, nu art. 20 lid Pro 1, laatste volzin, Ow de door de rechter benoemde derde toestaat “het loon van den bewindvoerder eens afwezige, en daarenboven de gemaakte onkosten” in rekening te brengen. Uit de parlementaire geschiedenis van de Onteigeningswet valt daarbij af te leiden dat de schadeloosstelling aan de derde moet worden uitbetaald, waarop hij bij de uitkering zijn loon en zijn kosten zal kunnen afhouden. [17] Dat loon is volgens art. 20 “het loon van den bewindvoerder eens afwezige” (zie voor het huidige recht: art. 1:410 lid 2 BW Pro: 5% van de opbrengst der door hem beheerde goederen). Ook heeft de erfgenaam-eigenaar evident belang erbij om zelf verweer te voeren indien de door de rechter benoemde derde (zoals in de onderhavige zaak aan de orde lijkt), niet genegen is zijn proceshouding af te stemmen op de wensen van de erfgenaam-eigenaar.
tweede cassatiemiddelin het eerste cassatieberoep komt op tegen de afwijzing van de vordering tot tussenkomst van [A] als pachter. Het klaagt dat de enkele betwisting van het recht van pachter niet voldoende mag zijn om diens tussenkomst in de onteigeningsprocedure te weigeren. Die klacht lijkt mij ongegrond.
gebruikeromvat. Het oordeel van de rechtbank dat op dit moment onvoldoende duidelijk is of [A] als pachter heeft te gelden, lijkt mij in dit licht geenszins onvoldoende gemotiveerd.