Conclusie
1.Feiten en procesverloop
a)de echtscheiding uit te spreken;
b)te bepalen dat de man met ingang van 5 oktober 2011 een bedrag ad € 2.500,- bruto per maand voldoet ter zake van het levensonderhoud van de vrouw; en
c)de verdeling van de gemeenschappelijke goederen te bevelen.
primairde door hem te betalen uitkering tot levensonderhoud van de vrouw te beëindigen,
subsidiairte bepalen dat de uitkering op nihil wordt gesteld met ingang van 17 augustus 2012, althans met ingang van een zodanige datum als het hof juist zal achten, en
meer subsidiairte bepalen dat hij een zodanige uitkering dient te voldoen als het hof juist zal achten, te limiteren voor de duur van vijf jaren.
2.Beoordeling van het cassatieberoep
onderdeel 2.1hebben betrekking op de maatstaf die het hof aanlegt – en de eisen die het hof in het kader van die maatstaf stelt – bij zijn oordeel over het verzoek van de man tot beëindiging van de alimentatie vanwege vermeende grievende gedragingen van de vrouw en zijn (subsidiaire) verzoek tot limitering van de alimentatie vanwege diezelfde grievende gedragingen in combinatie met het feit dat de vrouw volgens de man heeft gewacht met het indienen van het verzoekschrift tot echtscheiding totdat de vijfjaarstermijn was verstreken.
de zware eisen die in jurisprudentie daarvoor gelden” (rov. 4.4, voorlaatste zin).
Onder IIklaagt het middel dat het hof hetzij ten onrechte geen onderscheid maakt tussen de eisen die gelden voor dadelijke beëindiging van de alimentatie enerzijds en limitering in tijd anderzijds, hetzij bij de beoordeling op dit punt geen inzicht geeft in zijn gedachtegang.
Onder IIIwordt geklaagd dat, nu de vraag welke maatstaf heeft te gelden rechtstreeks bepalend is voor de stelplicht en het verweer van partijen, zonder nadere toelichting niet valt na te gaan of het hof – mede ter beoordeling van de stelplicht van de man – de juiste maatstaf heeft aangelegd.
Onder IVwordt uitgegaan van de lezing dat het hof niet is uitgegaan van het criterium dat van
dezealimentatieplichtige in kwestie in het licht van de feiten en omstandigheden in redelijkheid niet langer kan worden gevergd dat die zijn voormalige echtgenoot nog langer alimentatie voldoet (subjectieve beoordeling) en wordt geklaagd dat het hof hetzij blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting, hetzij zijn uitspraak onvoldoende heeft gemotiveerd, nu het niet aangeeft welk criterium het hanteert en op welke jurisprudentie het doelt.
Onder V, ten slotte, klaagt het middel dat indien is geoordeeld dat de door de man gestelde en door het hof aangehaalde feiten en omstandigheden niet zwaar genoeg zijn voor beëindiging of zelfs maar limitering, het hof hetzij een te zwaar criterium heeft aangelegd, hetzij zijn oordeel onbegrijpelijk althans onvoldoende heeft gemotiveerd. Ook in dit kader wordt geklaagd over het feit dat geen onderscheid wordt gemaakt tussen de eisen die gesteld worden voor enerzijds beëindiging en anderzijds limitering van de alimentatie.
grief 4gesteld dat op grond van de gedragingen van de vrouw in redelijkheid niet van de man kan worden gevergd in haar levensonderhoud te voorzien en dat de gedragingen van de vrouw ertoe hebben geleid dat er geen sprake meer is van de aan de alimentatieverplichting gekoppelde lotsverbondenheid tussen partijen. [13] Het hof reageert in zijn rov. 4.4 op deze stellingen van de man, waarbij het door de man aangelegde criterium gedeeltelijk wordt herhaald. Hieruit valt geenszins op te maken dat het hof is uitgegaan van een onjuist criterium, integendeel zelfs. Dat het hof het – ook hierboven onder 2.4 genoemde – criterium hierbij niet geheel en expliciet (opnieuw) noemt, maakt nog niet – zeker niet gezien het door de man gestelde – dat het door het hof aangelegde criterium onjuist of onvoldoende inzichtelijk, of zijn oordeel op dit punt (anderszins) onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd zou zijn. Ook overigens bestaat er geen enkele aanwijzing dat het hof van een ander dan het juiste criterium is uitgegaan.
klachten I, III en IVvan onderdeel 2.1 af.
klacht Vbetoogt dat de door de man gestelde en door het hof in rov. 4.4 aangehaalde feiten en omstandigheden [14] weldegelijk voldoende zijn om tot beëindiging van de alimentatie over te gaan, stuurt zij aan op een feitelijke herbeoordeling waarvoor in cassatie geen plaats is. De klacht mist bovendien feitelijke grondslag, waar wordt geklaagd dat het hof heeft geoordeeld dat bedoelde feiten en omstandigheden niet zwaar genoeg zijn voor beëindiging of limitering. Het hof is aan een dergelijke beoordeling immers niet toegekomen. Het hof heeft de verzoeken van de man reeds afgewezen omdat naar het oordeel van het hof de man zijn stellingen tegenover de gemotiveerde betwisting van de vrouw niet voldoende aannemelijk heeft gemaakt.
de vrouw de stellingen van de man gemotiveerd heeft betwist.Geklaagd wordt dat dit oordeel getuigt van een onjuiste rechtsopvatting met betrekking tot art. 149 en Pro art. 21 Rv Pro. Volgens het subonderdeel heeft het hof een onjuiste – want te lichte – maatstaf aangelegd ten aanzien van de vraag wat heeft te gelden als een voldoende gemotiveerde betwisting, nu er hogere eisen zullen worden gesteld aan de betwisting van een stelling naarmate die stelling meer is onderbouwd.
Subonderdeel 2.2.3klaagt dat genoemd oordeel onbegrijpelijk althans onvoldoende gemotiveerd is. Daartoe wordt aangevoerd dat het verweer van de vrouw dat de man de vernieling in het appartement in Italië
zelfzou hebben aangericht, door de man wordt weerlegd met de stelling dat hij rond die tijd in Nederland was, en wel in verband met de geboorte van zijn kind een week voorafgaand aan het tijdstip waarop deze vernieling volgens een door de man overgelegde verklaring van een buurman in Italië had plaatsgevonden, terwijl de onjuistheid van die verklaring door de vrouw niet toereikend wordt onderbouwd. Volgens
subonderdeel 2.2.4vitiëren de voorgaande klachten ook het voortbouwende oordeel van het hof dat
de man zijn stellingen onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt.
Subonderdeel 2.2.2faalt derhalve.
subonderdeel 2.2.3faalt dus.
grief 4.Daartoe wordt aangevoerd dat het hof de door de man subsidiair verzochte limitering tot vijf jaar enkel heeft gebaseerd op de stelling van de man dat de vrouw heeft gewacht met het indienen van het inleidend verzoekschrift tot echtscheiding totdat de in artikel 1:157 lid 6 BW Pro genoemde 5-jaarstermijn was verstreken. Er wordt op gewezen dat de man aan dit subsidiaire verzoek tevens de misdragingen van de vrouw ten grondslag heeft gelegd.
ook overigens– afgezien van de door de man gestelde feiten en omstandigheden – niet is gebleken van feiten en omstandigheden die beëindiging dan wel limitering van de onderhoudsplicht van de man rechtvaardigen. Geklaagd wordt dat onduidelijk is op welke feiten en omstandigheden het hof het oog heeft. Voorts vormt het onderdeel een herhaling van de eerdere klachten over de zwaarte van het gehanteerde criterium (onderdeel 2.1 onder I en III-V); over het niet maken van onderscheid tussen het primair en subsidiair verzochte (onderdeel 2.1 onder II en V en onderdeel 2.3); en over de aan de stelplicht en betwisting gestelde eisen (onderdeel 2.2).
onder 2.5 en 2.6behoeven geen behandeling meer.