Conclusie
1.De feiten en het procesverloop
2.Bespreking van het cassatiemiddel
- dat het hof miskent dat de door de Stichting aangevoerde argumenten kúnnen meebrengen dat redelijkheid en billijkheid zich tegen toewijzing verzetten (samengevat waren deze argumenten: de aan de werknemer toe te rekenen vertrouwenscrisis; aan de werknemer toe te rekenen financieel wanbeheer, waarbij de werknemer naliet gevolg te geven aan aanwijzingen van de accountants van de Stichting en de Raad van Toezicht desverzocht te informeren; de verhouding van (het bedrag van) de vordering tot de inkomenspositie van de werknemer in de periode na de ontbinding); daarom had het hof op die argumenten nader behoren in te gaan;
- dat het voorgaande niet anders wordt doordat, in de visie van het hof, de Stichting de gelegenheid had om de werknemer bij te sturen; bovendien zou het hof voorbij zijn gegaan aan stellingen van de Stichting over gevallen waarin dat vergeefs getracht is.
bulletmist feitelijke grondslag, in zoverre dat het hof de drie hoofdbestanddelen van het verweer die in dit middelonderdeel zijn genoemd, alle als argumenten van de Stichting heeft onderkend: zie de tweede en de derde volzin van rov. 4.3.3. Het hof heeft deze argumenten geteld, gewogen en te licht bevonden. De redengeving van dit oordeel is inderdaad gecomprimeerd, maar daarom nog niet onbegrijpelijk voor de lezer. Zie ik het goed, dan heeft het hof in rov. 4.3.3 de vrijheid van de partijen vooropgesteld om in hun overeenkomst zelf te regelen onder welke omstandigheden de werkgever wel en onder elke omstandigheden de werkgever niet verplicht is tot uitbetaling van een beëindigingsvergoeding. In dit geval, aldus het hof, hebben partijen gekozen voor een vergoedingsplicht bij iedere beëindiging (opzegging of ontbinding) en slechts een uitzondering te maken voor het − zich hier niet voordoende − geval dat de werkgever de arbeidsovereenkomst opzegt om een dringende reden. Blijkbaar ziet het hof alle andere omstandigheden, zelfs een eventueel disfunctioneren van de werknemer zoals door de Stichting gesteld, als een risico dat verdisconteerd is in de onderhavige afvloeiingsregeling. Tegen ‘s hofs uitleg van de overeenkomst is de klacht niet gericht. Op omstandigheden of risico’s die bij voorbaat zijn verdisconteerd in een afvloeiingsregeling kan de werkgever niet met vrucht een beroep doen, als het gaat om de onderbouwing van een beroep op de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid in art. 6:248 lid 2 BW Pro.
Mutatis mutandisgeldt hetzelfde voor de klacht achter de tweede
bullet, over het beroep op art. 6:258 BW Pro, dat aan het slot van rov. 4.3.3 door het hof is besproken.