ECLI:NL:PHR:2014:102
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt rechtmatigheid binnentreden woning op basis van toestemming meerderjarige zoon
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het Gerechtshof te ’s-Hertogenbosch, waarin verdachte werd veroordeeld wegens medeplegen van een strafbaar feit onder de Opiumwet. Centrale vraag was of het binnentreden in de woning rechtmatig was, nu opsporingsambtenaren zonder schriftelijke machtiging en zonder toestemming van de bewoner de woning betraden op basis van toestemming van de meerderjarige zoon van de bewoonster.
Het hof oordeelde dat de verbalisanten mochten vertrouwen op de mededeling van de zoon dat hij namens zijn moeder toestemming gaf tot binnentreden, omdat geen contra-indicaties waren gebleken. De verdediging voerde aan dat de zoon geen toestemming kon geven omdat hij niet in de woning woonde, geen contact had met zijn moeder, en andere omstandigheden die het vertrouwen in zijn toestemming zouden ondermijnen.
De Hoge Raad bevestigt het oordeel van het hof dat het binnentreden rechtmatig was. De Raad benadrukt dat opsporingsambtenaren in de regel mogen afgaan op degene die verklaart namens de bewoner toestemming te geven, tenzij er duidelijke contra-indicaties zijn. De door de verdediging aangevoerde omstandigheden waren onvoldoende om het vertrouwen in de toestemming te doorbreken. Bovendien was er een concreet vermoeden van een strafbaar feit, waardoor waarschijnlijk een machtiging zou zijn verleend.
De Hoge Raad verwerpt het cassatiemiddel en bevestigt dat geen sprake is van een onherstelbaar vormverzuim of onrechtmatige bewijsvergaring. De strafrechtelijke vervolging blijft derhalve gehandhaafd.
Uitkomst: Het binnentreden van de woning was rechtmatig op basis van toestemming van de meerderjarige zoon, waardoor de veroordeling van verdachte wordt bevestigd.