ECLI:NL:PHR:2013:BZ5793
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Bevoegdheid belastingrechter bij dwangsombeschikking wegens niet tijdig beslissen
Belanghebbende maakte bezwaar tegen een aanslag inkomstenbelasting, dat bezwaar werd niet-ontvankelijk verklaard wegens termijnoverschrijding. Vervolgens verzocht belanghebbende om ambtshalve vermindering van de aanslag, die gedeeltelijk werd ingewilligd. Belanghebbende stelde de Inspecteur in gebreke wegens niet tijdig beslissen en vroeg een dwangsom toe te kennen, welke werd geweigerd. Hiertegen stelde belanghebbende bezwaar en beroep in, waarbij de vraag speelde of het Hof als belastingrechter bevoegd was om over de dwangsombeschikking te oordelen.
De Hoge Raad concludeert dat de dwangsombeschikking geen besluit is ingevolge de belastingwet en dat het gesloten stelsel van rechtsmiddelen in belastingzaken niet van toepassing is op de dwangsombeschikking. Daardoor is niet de belastingrechter, maar de algemene bestuursrechter bevoegd. De Rechtbank kan als algemene bestuursrechter oordelen, maar het Hof niet; het Hof had zich onbevoegd moeten verklaren en de zaak moeten doorzenden naar de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Daarnaast oordeelt de Hoge Raad dat belanghebbende recht heeft op proceskostenvergoeding wegens het onjuist behandelen van de bevoegdheid door Rechtbank en Hof. De zaak wordt terugverwezen voor behandeling door de algemene bestuursrechter. De conclusie bevat ook een uitgebreide bespreking van de wettelijke regeling omtrent dwangsombeschikkingen, de toepasselijkheid van de Awb, en relevante jurisprudentie en literatuur.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep gegrond en beveelt doorzending van de zaak aan de algemene bestuursrechter wegens onbevoegdheid van het Hof.