Uitspraak
[X]te
[Z](hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het
Gerechtshof te ’s-Gravenhagevan 5 juni 2012, nr. BK-11/00462, betreffende een beschikking als bedoeld in artikel 4:18 Awb Pro.
Hoge Raad
In deze zaak ging het om de vraag welke rechter bevoegd is om te oordelen over een dwangsombeschikking die verband houdt met een ambtshalve te verlenen vermindering van een belastingaanslag. Belanghebbende had een verzoek ingediend tot ambtshalve vermindering van een aanslag inkomstenbelasting 2004, waarna de Inspecteur dit verzoek volledig had ingewilligd. Belanghebbende had vervolgens een dwangsombeschikking gevorderd wegens het niet tijdig beslissen op dit verzoek, welke door de Inspecteur werd geweigerd.
De Rechtbank verklaarde het bezwaar tegen de dwangsombeschikking ongegrond, het Gerechtshof vernietigde deze uitspraak en verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk. Belanghebbende stelde vervolgens cassatieberoep in tegen het oordeel van het Hof.
De Hoge Raad oordeelde dat bij besluiten op grond van de belastingwet, zoals ambtshalve verminderingen van aanslagen, geen bezwaar en beroep openstaan, en dat dit ook geldt voor daarmee samenhangende dwangsombeschikkingen. Dit betekent dat noch de belastingrechter, noch de algemene bestuursrechter bevoegd is om over deze dwangsombeschikkingen te oordelen. De Hoge Raad bevestigt dat de civiele rechter bevoegd is voor geschillen over de rechtmatigheid van ambtshalve verminderingen en de daarbij behorende dwangsombeschikkingen. Het beroep in cassatie werd ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt ongegrond verklaard en bevestigd dat de belastingrechter niet bevoegd is bij dwangsombeschikkingen gekoppeld aan ambtshalve verminderingen zonder bezwaar- en beroepsmogelijkheid.