ECLI:NL:PHR:2013:BY5217
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel bij medeplegen witwassen
In deze zaak is verdachte veroordeeld voor medeplegen van witwassen van contante geldbedragen en banktegoeden die afkomstig waren uit misdrijf. Het hof heeft geoordeeld dat de betreffende bedragen, waaronder contant geld gevonden in een woning en geld op een Luxemburgse bankrekening, als wederrechtelijk verkregen voordeel aan verdachte kunnen worden toegerekend. De verdachte voerde in cassatie aan dat het hof onvoldoende had gemotiveerd waarom het voorhanden hebben van deze bedragen als wederrechtelijk voordeel moest worden aangemerkt en dat het hof onduidelijk was over de soortgelijke feiten waarop het zich baseerde.
De Hoge Raad stelt dat het enkel voorhanden hebben van witgewassen geld niet automatisch betekent dat het gehele bedrag als daadwerkelijk genoten voordeel moet worden gezien, maar dat het aan de veroordeelde is om aannemelijk te maken in welke mate dit niet het geval is. Het hof mocht de bedragen als wederrechtelijk verkregen voordeel aanmerken, mede omdat de verdachte geen legale bron voor de gelden kon aantonen. Ook het oordeel over soortgelijke feiten is volgens de Hoge Raad voldoende onderbouwd uit het arrest en de bewijsmiddelen.
Daarnaast wordt erkend dat de redelijke termijn voor de cassatieprocedure is overschreden, maar dit leidt niet tot vernietiging van het arrest. De Hoge Raad wijst het cassatieberoep af en bevestigt daarmee het oordeel van het hof over de ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de ontnemingsmaatregel van wederrechtelijk verkregen voordeel van €397.451,62 en wijst het cassatieberoep af.