ECLI:NL:HR:2010:BK7050
Hoge Raad
- Cassatie
- F.H. Koster
- B.C. de Savornin Lohman
- J.W. Ilsink
- Rechtspraak.nl
Vermindering van terug te betalen bedrag bij ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel wegens overschrijding redelijke termijn
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem inzake een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. Betrokkene stelde dat het hof onvoldoende had gemotiveerd waarom de redelijke termijn niet was overschreden, terwijl meer dan twee jaar waren verstreken sinds het instellen van hoger beroep.
De Hoge Raad overwoog dat in ontnemingszaken specifieke omstandigheden kunnen meebrengen dat een termijn van meer dan twee jaar niet per definitie een schending van de redelijke termijn oplevert. Het hof had de enkele niet toegelichte opmerking van de raadsman over de redelijke termijn terecht niet aanleiding gevonden tot matiging van het bedrag.
Echter oordeelde de Hoge Raad dat in de cassatiefase zelf de redelijke termijn was overschreden doordat stukken te laat door het hof waren ingezonden en de uitspraak pas na meer dan twee jaar na het instellen van cassatie was gedaan. Dit leidde tot vermindering van het terug te betalen bedrag van €180.136,- naar €175.136,-.
De overige middelen werden verworpen en het arrest werd verder bekrachtigd. De uitspraak werd gedaan door de vice-president en twee raadsheren van de Hoge Raad op 16 februari 2010.
Uitkomst: Het terug te betalen bedrag aan wederrechtelijk verkregen voordeel wordt verminderd tot €175.136,- wegens overschrijding van de redelijke termijn in cassatie.