Conclusie
1.De feiten en het procesverloop
2.Bespreking van het cassatiemiddel
onder 1.11 - 1.13veronderstelt, behoefde het hof de andere, in dit verband door de vrouw genoemde jurisprudentie niet uitdrukkelijk te bespreken.
onder 1.3 en 1.4houdt in dat het hof niet of onvoldoende heeft gemotiveerd waarom het accepteert dat de Raad in zijn onderzoeksrapport deze door het hof geformuleerde vragen niet heeft beantwoord.
onder 1.2, 1.5 en 1.6) en aan haar Hindoestaanse achtergrond (
onder 1.14).
onder 1.7). In het bijzonder zou het hof hebben miskend (i) dat het bij deze risico’s noodzakelijkerwijs gaat om een verwachting omtrent toekomstige feiten en (ii) dat een na verkregen toestemming door de man gedane erkenning onomkeerbaar is (
onder 1.9 en 1.10). In ieder geval zou het hof onvoldoende hebben gemotiveerd waarop zijn oordeel berust dat er geen reëel risico is dat de minderjarige in haar ontwikkeling wordt belemmerd (
onder 1.8);
onderdeel 2klaagt de vrouw dat het hof art. 237, in verbinding met art. 244 lid 1 en Pro art. 289 Rv Pro, heeft geschonden door haar in de kosten van het deskundigenbericht te veroordelen terwijl zij niet wordt veroordeeld in de proceskosten. Volgens de toelichting (onder 2.7) volgt uit art. 244 dat Pro uitsluitend de partij die in de proceskosten wordt verwezen, in de kosten van het deskundigenbericht kan worden veroordeeld. Verder klaagt zij, dat het hof de veroordeling in de kosten van het deskundigenbericht onvoldoende begrijpelijk heeft gemotiveerd, nu het hof - samengevat −niet kenbaar in zijn oordeel heeft betrokken: