Conclusie
1.De feiten en het procesverloop
2.Bespreking van het cassatiemiddel
mogelijkbehaalde winst tussen de voor de schulden gehanteerde peildatum (1 december 2000) en de datum van de verdeling (het tijdstip waarop het hof arrest wees). Omtrent de hoogte van de in dit tijdvak feitelijk in deze onderneming behaalde of mogelijk te behalen winst hebben partijen geen concrete feiten gesteld en heeft ook het hof niets vastgesteld. Mogelijk heeft het hof voor ogen gehad dat – naast de (boek-)waarde van de activa – in de aan de man toegedeelde eenmanszaak een bij verkoop verzilverbare meerwaarde (‘goodwill’) besloten ligt, die als positieve waarde in de verdeling behoort te worden verdisconteerd. Bij die lezing van het arrest zou de klacht onder (ii) gegrond zijn: in de gedingstukken is geen sprake geweest van een verzilverbare goodwill die in de waardering van de activa van de onderneming en, langs die weg, in de verdeling tussen partijen zou moeten worden betrokken.