Conclusie
eerste middelklaagt dat het hof een groot aantal door medeverdachte [medeverdachte 1] bij de politie afgelegde verklaringen tot bewijs heeft gebezigd, zonder te reageren op daaromtrent door de verdediging gevoerde uitdrukkelijke onderbouwde standpunten, zodat het arrest en/of de bewezenverklaring onvoldoende met redenen is omkleed.
tenzijdie verklaringen voldoende steun vinden in andere bewijsmiddelen, aldus de Hoge Raad. [4] Bewijsgebruik van de verklaring van een afwezige getuige is dus toegestaan indien het niet gaat om een getuigenverklaring, in de woorden van het EHRM, “
of such significance or importance as is likely to be determinative of the outcome of the case. Where the untested evidence of a witness is supported by other corroborative evidence, the assessment of whether it is decisive will depend on the strength of the supportive evidence; the stronger the corroborative evidence, the less likely that the evidence of the absent witness will be treated as decisive.” [5]
tweede middelklaagt over de verwerping van het verweer dat de verklaringen die de verdachte bij de politie heeft afgelegd voordat hij een raadsman had kunnen consulteren, voor het bewijs uitgesloten dienen te worden vanwege de Salduz-jurisprudentie.
Het consultatierecht met betrekking tot het onder 1 ten laste gelegde
derde middelklaagt over de bewezenverklaringen van de feiten 2, 3 en 4 voor zover deze inhouden “
zulks terwijl tijdens het plegen tijdens het plegen van voornoemd misdrijf nog geen vijf jaren zijn verlopen sedert een veroordeling van de schuldige tot gevangenisstraf wegens een daaraan soortgelijk misdrijf in kracht van gewijsde is gegaan”.
.