Conclusie
2.Bespreking van het cassatiemiddel
behoeftevan de kinderen. Subonderdelen 2.1.6 – 2.1.8 en onderdeel 2.2 zijn gericht tegen het oordeel van het hof over de
draagkrachtvan de man. Onderdeel 2.3 is voortbouwend op het slagen van een of meer voorgaande klachten.
subonderdelen 2.1.1 – 2.1.5zijn gericht tegen rov. 4.3 – 4.7 en 4.12 van de bestreden beschikking. Omdat dit van belang is voor subonderdeel 2.1.5 citeer ik ook de daaraan voorafgaande rov. 4.2:
behoefteaan kinderalimentatie niet uit had mogen gaan van wat de man aan inkomsten uit arbeid en vermogen had kùnnen verwerven, van ficties derhalve, omdat iets dat niet werkelijk is geweest geen behoefte kan scheppen. Althans is het uitgaan van deze ficties voor de benadering van de behoefte niet toereikend gemotiveerd volgens de klachten. Subonderdeel 2.1.1 heeft betrekking op rov. 4.6 en 4.12 en ziet materieel op het door het hof aangenomen fictieve rendement van 4% op (het aandeel van de man in) de woningen in Amsterdam, Rotterdam en Nijmegen. Subonderdeel 2.1.2 ziet op de door het hof in rov. 4.7 en 4.12 aangenomen verhuurinkomsten van de parkeerplaats in het centrum van Amsterdam met als subklacht dat niet inzichtelijk is hoe het hof aan de hoogte van het aangenomen huurbedrag per maand komt.
ubonderdelen 2.1.3 en 2.1.4– kort gezegd – dat niet mag worden uitgegaan van een fictief rendement van 4% op het vermogen van de man. Op de woning in Amsterdam moet ten minste de hypotheekschuld in mindering worden gebracht en de (maandelijkse) werkelijk door de man gemaakte kosten. Het is volgens de klacht een feit van algemene bekendheid dat wanneer die hypotheeklasten en/of kosten niet worden voldaan, de schuldeisers zich zullen verhalen op de bewuste onroerende zaak. Het hof heeft dat volgens de klacht in de rov. 4.6 en 4.7 hetzij miskend, hetzij geen inzicht gegeven in zijn gedachtegang op dit punt, danwel is zijn oordeel zonder nadere toelichting, die ontbreekt, onbegrijpelijk. Dat geldt volgens de klacht temeer nu het hof ten aanzien van de fictieve huuropbrengst uit de parkeervergunning wel eerst de kosten in mindering brengt. Subonderdeel 2.1.4 voegt daar aan toe dat, voor zover het oordeel van het hof in rov. 4.6 aldus moet worden begrepen dat die 4% moet worden gerealiseerd bovenop de kosten die de man moet maken, dat dat dan – zeker zonder nadere toelichting, die ontbreekt – evenzeer onbegrijpelijk is. Het zijn volgens de klacht inkomsten die de man in redelijkheid niet kon verwerven. Nu een rendement van 4% tegenwoordig al onhaalbaar is, geldt dat zeker in een situatie waarbij 4% overblijft na aftrek van maandelijkse lasten en 1,2% vermogensrendementsheffing, aldus nog steeds de klacht.
(…) met de belastingheffing in box 3 vermogensbelasting (…)”. Dat rekening moest worden gehouden met een hypotheekschuld voor het Amsterdamse appartement vormt een ontoelaatbaar novum in cassatie, aangezien dat niet eerder in deze vorm is aangevoerd, zoals het verweerschrift in cassatie zijdens de vrouw onder 15 op p. 5 terecht aanvoert. De klacht verliest verder uit het oog dat het hof zich bij het vaststellen van de hoogte van de ontvangen vergoeding voor de parkeervergunning kon baseren op het door de vrouw gestelde en door de man als zodanig niet bestreden bedrag van € 216,50, waarop de kosten van de vergunning al in mindering waren gebracht.
pro deooptrad voor zijn broer en dat er in dat jaar verder geen inkomsten waren door advieswerk, zodat hiervan ook niets is terug te vinden in zijn IB-aangifte en -aanslag 2007. De minieme inkomsten uit andere omliggende (niet-relevante) jaren zijn volgens de klacht aangetoond en wijzen bepaald niet op een adviseursinkomen van de man van € 1.000,- netto per maand.
draagkrachtniet alleen rekening kan houden met het daadwerkelijk inkomen van een alimentatieplichtige, maar ook, onder omstandigheden, met wat de alimentatieplichtige redelijkerwijs zou kunnen verdienen. In reactie op het verweer van de vrouw om de 4% rendementsnorm te hanteren heeft de man meegedeeld dat hij ernstig in de financiële problemen zou komen wanneer bij het vaststellen van een bijdrage rekening zou worden gehouden met een dergelijk fictief inkomen. Dit kan, ambtshalve rechtsgronden aanvullend, volgens de klacht niet anders worden begrepen dan dat de man heeft aangevoerd dat hij aldus onder 90% van het bestaansminimum terechtkomt. In zo’n geval moet worden onderscheiden tussen twee situaties: is sprake van voor herstel vatbaar inkomensverlies of niet. In het eerste geval mag alimentatie op grond van fictieve draagkracht worden opgelegd, maar in het tweede geval alleen als daarmee niet onder de grens van 90% van het bestaansminimum wordt gekomen. De klacht voert onder i aan dat onvoldoende kenbaar aandacht is geschonken aan de vraag of van voor herstel vatbaar inkomensverlies sprake is. Voor zover het hof heeft bedoeld dat er van voor herstel vatbaar inkomensverlies sprake is, kleeft er volgens sub-subonderdeel ii een motiveringsgebrek aan ’s hofs oordeel, omdat gelet op de stellingen van de man over het niet meer kunnen dragen van de lasten voor het Amsterdamse appartement, het te koop staan daarvan (met meer kans op succes in onverhuurde staat) en van zijn huis in Assendelft en het “op slot zitten” van de woningmarkt, zonder (ontbrekende) motivering niet valt te begrijpen dat sprake is van voor herstel vatbaar inkomensverlies. Hetzelfde geldt volgens het onderdeel voor het oordeel van het hof met betrekking tot de parkeervergunning.
omdatop deze schuld niet wordt afgelost. De motiveringsklacht berust op een te beperkte lezing van rov. 4.16. Het hof heeft daarin geen rekening gehouden met de door de man gestelde aflossing op de lening, omdat de man volgens het hof onvoldoende gemotiveerd de stelling van de vrouw heeft weersproken dat hij dit bedrag uit zijn spaargeld heeft voldaan dan wel had kunnen voldoen. Dat is een aan de feitenrechter voorbehouden oordeel en volgens mij niet onbegrijpelijk. Het hof heeft hier namelijk andermaal overwogen dat de man onvoldoende inzicht heeft gegeven in zijn financiële omstandigheden: uit de door de man (wel) overgelegde stukken volgt dat onder meer sprake is van internetsparen, maar de man heeft geen inzicht verschaft in de omvang van zijn vermogen.