Conclusie
[verdachte]
eerste middelbehelst de klacht dat het Hof de verzoeken tot het horen van de getuigen [betrokkene 1] en [betrokkene 2] ten onrechte heeft afgewezen, althans ten onrechte heeft verzuimd een deugdelijke en voldoende (begrijpelijk) gemotiveerde beslissing te nemen op het verzoek die getuigen te horen.
tweede middelklaagt dat het Hof ten onrechte niet, dan wel niet voldoende (begrijpelijk), heeft gerespondeerd op het verweer strekkende tot niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie in de vervolging van de verdachte vanwege het niet naleven van de Aanwijzing opsporing en vervolging inzake seksueel misbruik.
derde middelklaagt dat het Hof ten onrechte heeft nagelaten de dagvaarding gedeeltelijk nietig te verklaren wat betreft feit 1, aangezien de tenlastelegging niet voldoet aan de eisen van art. 261 Sv Pro, nu de feitelijke uitwerking van het verwijt, te weten het hebben van vleselijke gemeenschap met [slachtoffer], te weten (onder meer) door de woorden ‘en/of zijn vinger(s)’ geen feitelijke uitwerking kan zijn van eerdergenoemde vleselijke gemeenschap, aangezien daaronder enkel geslachtsgemeenschap dient te worden verstaan en niet (ook) het binnendringen met de vinger(s) in de vagina.
vierde middelbevat de klacht dat het Hof ten onrechte en in strijd met art. 14c (oud) Sr heeft bepaald dat als algemene voorwaarde tevens geldt dat de voorwaardelijk aan de verdachte opgelegde straf ook ten uitvoer kan worden gelegd indien de verdachte voor het einde van de proeftijd geen medewerking heeft verleend aan het ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit nemen van één of meer vingerafdrukken of geen identiteitsbewijs als bedoeld in art. 1 van Pro de Wet op de identificatieplicht ter inzage heeft aangeboden.
vijfde middelklaagt over de toewijzing van de vordering van de benadeelde partij en de oplegging van een schadevergoedingsmaatregel. Bij schrijven van 4 juli 2013 heeft de advocaat van de benadeelde partij het middel tegengesproken.