Conclusie
middelklaagt dat het Hof het verweer dat de betrokkene niet heeft gedeeld in de opbrengsten van de hennephandel en zij derhalve geen wederrechtelijk voordeel heeft genoten, heeft verworpen op gronden die deze verwerping niet kunnen dragen.
U, voorzitter, houdt mij voor dat ik geld in ontvangst zou hebben genomen als men aan de deur kwam voor hennep en u vraagt mij wat ik met dat geld deed. Dat geld moest dan naar boven, waar de portemonnee lag. Ik moest alles afdragen aan mijn man. Voor elke cent kwam hij naar beneden. Als ik bijvoorbeeld boodschappen moest doen, dan moest ik mijn man om geld vragen.
U, voorzitter, vraagt mij of ik bijvoorbeeld tegen mijn man heb gezegd dat er geld in huis moest zijn voor als er klanten aan de deur zouden komen.
Mijn man zei dat al het geld voor de inkoop van hennep was bestemd. Daar kon niets vanaf.
U, voorzitter, vraagt mij of ik in dat geval bijvoorbeeld tegen mijn man heb gezegd, dat hij meer geld moest vragen voor een zakje hennep. Dat heb ik niet tegen hem gezegd. Als ik echt geld nodig had, dan kon ik ook nog naar mijn familie.
(…)
U, jongste raadsheer, vraagt mij of ik in gemeenschap van goederen ben getrouwd. Dat klopt.”
medeverdachte [betrokkene 1]heeft bij de r-c verklaard dat het geld wat cliënte van de klanten ontving bij hem werd afgegeven. [betrokkene 1] verkaart bij de r-c tevens dat hij het geld gebruikte om medische kosten, alcohol, de therapeut en de softdrugs te bekostigen. Cliënte zou [betrokkene 1] nooit geld hebben gevraagd van de opbrengst.
[betrokkene 2]. [betrokkene 2] verklaart bij de r-c dat al het geld wat door [betrokkene 1] werd verdiend opging aan de alcohol. Ze weet dat alles opging, omdat cliënte de hand op moest houden en zij regelmatig moest bijspringen. Ook de moeder van cliënte en [betrokkene 2] heeft regelmatig moeten bijspringen aldus [betrokkene 2].
[betrokkene 4] heeft bij de r-c verklaard:
Conclusie van de verdedigingDe verdediging is van mening dat uit de voorgaande verklaringen weldegelijk een verdeelsleutel kan worden bepaald. Van groot belang acht de verdediging de verklaring van [betrokkene 1] zelf. Daarnaast merkt de verdediging op dat de verklaring van [betrokkene 1] onderbouwd wordt door de verklaringen van drie verschillende getuigen. Uit al deze verklaringen wordt het naar mening van de verdediging niet aannemelijk dat cliënte voordeel heeft genoten van het wederrechtelijk verkregen voordeel.
(…)
Er zijn uit het dossier wel degelijk aanwijzingen te ontlenen waar het verdiende geld is terechtgekomen, te weten bij [betrokkene 1], de man van mijn cliënte. Hij heeft voordeel genoten uit de handel in hennep. We weten niet wat hij met het geld heeft gedaan. Misschien heeft hij het wel op een Zwitserse bankrekening gezet.
(…)
Het gaat erom wat veroordeelde daadwerkelijk aan geld te besteden had. Zij is door de politie verhoord, maar een verhoor waarin dieper is ingegaan op de opbrengsten uit hennephandel ontbreekt. Mijn cliënte heeft een vermoeden waar het geld aan is besteed. De stelling dat veroordeelde heeft meegewerkt met haar man met de hennephandel en met hem onder één dak woonde, zodat zij ook voordeel heeft genoten gaat niet automatisch op. Daarvoor bestaan onvoldoende objectieve aanwijzingen in het dossier. De stelling van mijn cliënte acht ik daarom wel aannemelijk.”
“De beoordeling van de vordering.De vordering is tijdig ingediend. De rechtbank heeft bij vonnis van 4 mei 2010 onder bovenvermeld parketnummer betrokkene [betrokkene] in de hoofdzaak onder meer veroordeeld voor het medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder Pro B, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd in de periode van 1 januari 2005 tot en met 25 januari 2010.
De bewijsmiddelen en de beoordeling daarvan.Het standpunt van de officier van justitie.Het door de officier van justitie ter terechtzitting gevorderde wederrechtelijk verkregen voordeel is eveneens gebaseerd op voornoemde rapportage wederrechtelijk verkregen voordeel, met dien verstande dat de officier van justitie in de berekening van de gewijzigde vordering voor betrokkene [betrokkene] en haar mededader ieder een bedrag van € 21.855,-- vordert, omdat zij uitgaat van een periode van 5 jaar dat betrokkene [betrokkene] en haar mededader hebben gehandeld in hennep.
(…)
Het oordeel van de rechtbank.De rechtbank stelt op basis van het proces verbaal van de regiopolitie Brabant Noord, Districtelijke Opsporing Maas en Leijgraaf, dossiernummer 2009141436, afgesloten op 12 maart 2010, het navolgende vast.
Op vrijdag 23 oktober 2009 werd in Cuijk een persoon aangehouden ter zake het voorhanden hebben van gripzakjes met hasj. Hij verklaarde in de woning van [betrokkene 1] te zijn geweest in verband met de koop van wiet. Tevens werden medio november 2009 door een agent van politieteam Cuijk, [verbalisant 1], waarnemingen gedaan waaruit kan worden opgemaakt dat er verdovende middelen werden verhandeld in de woning van [betrokkene 1] [aan] op het adres [a-straat 1] te Cuijk.
Sommigen van die personen werden van de opgenomen videobeelden door politieambtenaren van team Cuijk herkend als zijnde bekende (soft)drugsgebruikers. Op basis van deze bevindingen werd een afvangactie georganiseerd op maandag 25 januari 2010. Die dag werden 3 personen aangehouden nadat was vast gesteld dat zij kortstondig aan de deur waren geweest van de woning van betrokkenen [betrokkene 1] en [betrokkene]. Bij alle drie de aangehouden personen werd een gripzakje wiet aangetroffen en inbeslaggenomen. Allen verklaarden de softdrugs kort voor hun aanhouding te hebben gekocht aan de voordeur van de woning van betrokkenen [betrokkene 1] en [betrokkene].
Allen legden verklaringen af met betrekking tot hun softdrugs aankopen bij de betrokkenen [betrokkene 1] en [betrokkene].
Zij verleenden nadrukkelijk vrijwillig toestemming voor de doorzoeking van hun woning [a-straat 1] te Cuijk. Daarbij werd aangetroffen een hoeveelheid van in totaal 164 gram hennep.
Nu onvoldoende is gebleken van aanknopingspunten om vast te stellen welk deel van de opbrengst van de hennephandel in het vermogen van veroordeelde is gevloeid, terwijl sprake is van door veroordeelde en haar mededader tezamen verkregen wederrechtelijk voordeel, zal het hof bij de bepaling van het aan veroordeelde toe te rekenen voordeel uitgaan van een ponds-ponds gewijze verdeling tussen haar en [betrokkene 1].”
daadwerkelijkheeft behaald. [2] Daarmee verdraagt zich niet de opvatting dat aan de betrokkene ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel de verplichting kan worden opgelegd tot betaling van het bedrag van het voordeel dat de betrokkene en zijn mededader tezamen wederrechtelijk hebben verkregen, zonder dat behoeft te zijn vastgesteld welk deel daarvan als in het vermogen van de betrokkene gevloeid moet worden aangemerkt. [3] De rechter zal, in het geval er verscheidene daders zijn, niet altijd de omvang van het voordeel van elk van die daders aanstonds kunnen vaststellen. Dan zal hij op basis van alle hem bekende omstandigheden van het geval, zoals de rol die de onderscheiden daders hebben gespeeld en het aantreffen van het voordeel bij één of meer van hen moeten bepalen welk deel van het totale voordeel aan elk van hen moet worden toegerekend. Indien de omstandigheden van het geval onvoldoende aanknopingspunten bieden voor een andere toerekening, kan dit ertoe leiden dat het voordeel pondspondsgewijze wordt toegerekend. De rechter zal, in het geval er verscheidene daders zijn, niet altijd de omvang van het voordeel van elk van die daders aanstonds kunnen vaststellen. Dan zal hij op basis van alle hem bekende omstandigheden van het geval, zoals de rol die de onderscheiden daders hebben gespeeld en het aantreffen van het voordeel bij één of meer van hen moeten bepalen welk deel van het totale voordeel aan elk van hen moet worden toegerekend. Indien de omstandigheden van het geval onvoldoende aanknopingspunten bieden voor een andere toerekening, kan dit ertoe leiden dat het voordeel pondspondsgewijze wordt toegerekend. [4] Het voorgaande betekent ook dat de rechter een gemotiveerde beslissing behoort te nemen omtrent het deel van de opbrengst van de ten laste van de betrokkene en zijn mededader bewezenverklaarde feiten dat daadwerkelijk door de betrokkene is genoten. [5] Anders zou aan het doel van de ontnemingsmaatregel – herstel van de rechtmatige toestand in financiële zin en niet een aan de schuld van de betrokkene gerelateerde leedtoevoeging [6] - worden voorbijgeschoten. Krachtens art. 511f Sv kan de schatting van het op geld waardeerbare wederrechtelijk verkregen voordeel slechts worden ontleend aan wettige bewijsmiddelen. Ingevolge art. 511e, eerste lid, Sv (in eerste aanleg) en art. 511g, tweede lid, Sv (in hoger beroep) is op de uitspraak op een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel art. 359, derde lid, Sv van overeenkomstige toepassing. Daaruit vloeit voort dat die uitspraak de bewijsmiddelen moet vermelden waaraan de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel is ontleend met weergave van de inhoud daarvan, voor zover bevattende de voor die schatting redengevende feiten en omstandigheden. [7]
indirectten goede is gekomen – hetgeen niet hetzelfde is als
daadwerkelijkgenoten - onder de omstandigheden van het onderhavige geval een gissing is, die naar mijn mening niet kan bijdragen aan de schatting van de omvang van het wederrechtelijk door de betrokkene genoten voordeel, welke schatting slechts kan worden ontleend aan de inhoud van wettige bewijsmiddelen. Als er geen opbrengsten uit de hennephandel waren geweest, had de echtgenoot van de betrokkene misschien wel minder alcoholische dranken gebruikt of zich tevreden gesteld met drank van inferieure kwaliteit (bijvoorbeeld tweeliterpakken gevuld met slobberwijn) in plaats van een doorsnee Chardonnay, wie zal het zeggen. De overweging van het Hof dat de aankopen van de echtgenoot van de betrokkene anders ten laste van het overige gezinsinkomen of –vermogen zouden zijn gekomen, acht ik te speculatief. Verder wil ik hierbij toch ook nog expliciet wijzen op de rolverdeling, voor zover deze uit de stukken blijkt: de betrokkene verkocht regelmatig hennep en nam dan geld in ontvangst, terwijl haar echtgenoot de hennep inkocht, over de verkoopwinsten beschikte en het geld uitgaf.
20. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en terugwijzing naar het Hof teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.