Conclusie
2.Beoordeling van het cassatieberoep
.
niet tijdigis geschied in het kader van de vaststelling door het hof dat op grond van art. 7.5 van het stagereglement
uiterlijk 6 maandenvoor de afloop van de stageperiode overleg dient plaats te vinden over de mogelijkheid verbonden te blijven aan het kantoor van de patroon. Dit uiteindelijke oordeel is feitelijk van aard en voorbehouden aan het hof als feitenrechter, mits voldoende begrijpelijk gemotiveerd, hetgeen, als aangegeven, hier volgens mij zo is. Dat het aan [verweerder] te wijten zou zijn dat de dienstbetrekking is beëindigd op grond van hetgeen [verzoekster] daartoe heeft aangevoerd, zoals [verzoekster] in cassatie nog nader betoogt, is door het hof anders afgewogen – en dat heeft het hof zo kunnen doen zonder rechtsregel te schenden en afdoende gemotiveerd, omdat het hof als feitenrechter zwaarder heeft gewogen dat in zijn optiek [verzoekster] niet tijdig over de brug is gekomen met voldoende concrete plannen rond een aansluitend medewerkerschap van [verweerder]. In feite komt dit neer op het oordeel dat [verzoekster] zich niet heeft gehouden aan de normen van goed werkgeverschap. Anders gezegd: dat er (ook, of beter: andere) elementen zijn aan te voeren die wijzen de richting van een uiteindelijk aan toedoen van [verweerder] te wijten beëindiging van de arbeidsverhouding, zoals het middel en de schriftelijke toelichting aandragen, moge zo zijn, maar die zijn door het hof anders gewogen en dat is aan hem voorbehouden, omdat dit niet op rechtens onjuiste of onbegrijpelijke wijze in cassatie-technische zin is gebeurd. Dat het hof als feitenrechter ook een andere afweging zou hebben kunnen maken, maakt het vorenstaande niet anders. Daarop strandt onderdeel A.
Ook indien wordt uitgegaan van de juistheid van de stelling van [verzoekster] dat gelet op het bepaalde in artikel 7:668a lid 1 sub a BW de arbeidsovereenkomst van 29 september 2006 per 1 november 2009 is geconverteerd in een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd, maakt dit het vorenstaande niet anders. Uit het voorgaande volgt dat [verweerder] de opleidingskosten niet behoeft terug te betalen.”
ongemotiveerdonbesproken heeft gelaten [22] . In casu heeft het hof de stelling van [verzoekster] inzake de conversie van de arbeidsovereenkomst van 29 september 2006
gemotiveerdonbesproken gelaten. Het hof geeft in de bestreden rechtsoverweging immers aan dat ook wanneer wordt uitgegaan van de juistheid van de stelling van [verzoekster] inzake de conversie van de arbeidsovereenkomst van 29 september 2006 dit geen verschil uitmaakt voor de vraag of [verweerder] in casu verplicht is de opleidingskosten terug te betalen op grond van het studiekostenbeding in de arbeidsovereenkomst tussen partijen. Ook dan weegt voor het hof (en dat mocht voor hem als feitenrechter) zwaar dat naar zijn oordeel niet tijdig voldoende concreet met [verweerder] onder ogen is gezien of en tegen welke arbeidsvoorwaarden hij als advocaat-medewerker aan kantoor verbonden kon blijven. Toe kan worden gegeven dat deze overweging best duidelijker tot uitdrukking had kunnen brengen dat sprake is van conversie en dat dat voor het dragende oordeel van het hof niet uitmaakt, maar onbegrijpelijk in cassatie-technische zin is dit om de aangegeven reden niet. [23]
Nu de voorwaarde waaronder [verzoekster] haar eis in hoger beroep heeft vermeerderd niet in vervulling is gegaan wordt aan de beoordeling van de vermeerderde eis, te weten de vordering uit hoofde van onverschuldigde betaling, niet toegekomen.”
nietis uitgegaan van beëindiging van rechtswege per datum stageverklaring en dat dat gelet op de werking van art. 7:668a BW ook helemaal niet hoeft te verbazen. Het hof heeft dat op grond van de door hem vastgestelde feiten over de opvolging van het drietal arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd kennelijk meteen ingelezen en in dat licht bezien volstond de gegeven motivering dan ook alleszins. Klacht C moet dan ook falen.
niet relevantheeft kunnen passeren. Hoewel dat op het eerste gezicht misschien anders lijkt te liggen – er wordt aangeboden te bewijzen dat tijdig tijdens de stageperiode een medewerkerschap is aangeboden dat [verweerder] heeft geweigerd – meen ik bij nadere beschouwing van wat er
concreetis aangeboden, dat dat inderdaad wel kon. Ook hier klinkt de echo door van het gebrek aan
tijdigheid en concreetheidvan de demarches van [verzoekster] in de richting van een eventueel medewerkerschap van [verweerder], zo wil mij voorkomen. Dat werd voor mij inzichtelijk door als uitgangspunt te nemen dat de redenering van het hof moet zijn geweest dat er
geen tijdige overeenstemmingwas bereikt tussen [verzoekster] en [verweerder] over een vervolgaanstelling als advocaat-medewerker van de laatste. Anders gezegd: er lag een te weinig concreet aanbod op tafel dat zodoende ook niet door [verweerder] kon worden aanvaard – en dat ook nog eens niet op tijd. Was dat op zodanige wijze te wijten aan [verweerder], dat [verzoekster] een beroep toekwam op het studiekostenbeding? – zo zou je de redeneertrant van het hof kunnen samenvatten. Antwoord van het hof: nee, dat was niet zo, omdat [verzoekster] zich
niet voldoende en niet tijdigheeft gekweten van haar verplichting om dat eventuele medewerkerschap handen en voeten te geven. In dat licht moet naar ik meen het passeren van het bewijsaanbod worden gezien en dan heeft het hof dat zo kunnen doen.
dataspect (met name van de tijdigheid)
niet voldoende concreet aankaarten, zodat deze door het hof inderdaad
niet relevantkonden worden bevonden. Daarop strandt zowel de rechts- als de motiveringsklacht van onderdeel D.