ECLI:NL:PHR:2012:BX7588
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Uitleg finale kwijting in beëindigingsovereenkomst en verval optierechten werknemer
In deze zaak stond centraal of het verval van personeelsopties van een werknemer geacht moest worden te zijn begrepen in de finale kwijting van een beëindigingsovereenkomst. De werknemer, die jarenlang bij ABN AMRO in dienst was, had na beëindiging van zijn arbeidsovereenkomst geen mogelijkheid meer om zijn toegekende opties uit te oefenen, wat leidde tot een geschil over schadevergoeding.
De Hoge Raad bevestigde het oordeel van het hof dat het niet volstaat om louter op taalkundige gronden te bepalen dat de optierechten in de finale kwijting waren begrepen. Van belang is de redelijke zin die partijen aan de kwijtingsbepaling mochten toekennen en hun wederzijdse verwachtingen. Omdat de optierechten niet ter sprake waren gekomen tijdens de onderhandelingen, hoefde de werknemer niet te verwachten dat deze in de kwijting waren inbegrepen.
Verder oordeelde de Hoge Raad dat ABN AMRO als goed werkgever had moeten wijzen op het verval van de optierechten, omdat de werknemer zich daarvan niet bewust was. Het hof had terecht geoordeeld dat de werkgever tekort was geschoten in haar mededelingsplicht. Het geschil werd daarmee teruggebracht tot een relatief gering bedrag aan schadevergoeding, waarbij het cassatieberoep van ABN AMRO werd verworpen.
Uitkomst: Het cassatieberoep van ABN AMRO werd verworpen; de optierechten zijn niet begrepen in de finale kwijting en de werkgever had een mededelingsplicht.