ECLI:NL:PHR:2012:BW1519
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt afwijzing immateriële schadevergoeding wegens onvoldoende bewijs geestelijk letsel na groepsmishandeling
Eiser startte een procedure tegen meerdere verweerders wegens mishandeling in groepsverband op 9 oktober 2004, waarbij hij twee klappen in het gezicht kreeg. Hij vorderde een verklaring voor recht dat onrechtmatige daden waren gepleegd en een vergoeding van de daardoor geleden immateriële schade.
De rechtbank wees de vorderingen af omdat niet was komen vast te staan dat er sprake was van groepsaansprakelijkheid en onvoldoende was aangetoond dat eiser schade had geleden. Het hof bevestigde dit oordeel en stelde vast dat het letsel, waaronder een blauw oog, van te geringe aard was om immateriële schadevergoeding toe te kennen. Ook was niet aangetoond dat eiser een angststoornis of ander geestelijk letsel had.
In cassatie betoogde eiser dat het hof onjuist had geoordeeld over de bewijslast en dat het hof ten onrechte had geoordeeld dat geen verwijzing naar schadestaatprocedure nodig was. De Hoge Raad oordeelde dat het hof het debat over de schade als volwaardig mocht beschouwen en dat het oordeel dat geen vergoeding toekomt vanwege het ontbreken van objectief vast te stellen geestelijk letsel niet onbegrijpelijk is. Het cassatieberoep werd verworpen.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de vordering tot vergoeding van immateriële schade wordt afgewezen wegens onvoldoende bewijs van geestelijk letsel.