Uitspraak
gevestigd te Eindhoven,
gevestigd te [vestigingsplaats], Turkije,
2.Uitgangspunten en feiten
De eerste opzegging
3.Beoordeling van het middel
4.Beslissing
30 april 2021.
Hoge Raad
De zaak betreft een geschil tussen DAF Trucks N.V. en een Turkse importeur over de opzegging van een importeursovereenkomst voor DAF-producten in Turkije. DAF had de overeenkomst eerst opgezegd met een verkorte opzegtermijn van één jaar, en later met een opzegtermijn van twee jaar. De importeur betwistte de geldigheid van de verkorte opzegging.
De rechtbank oordeelde aanvankelijk dat de opzegging met een termijn van één jaar rechtsgeldig was, maar het hof stelde dit in hoger beroep bij en oordeelde dat de eerste opzegging niet voldeed aan de contractuele en wettelijke vereisten, mede gelet op het Turkse mededingingsrecht en Europese regelgeving. Het hof achtte onvoldoende aannemelijk dat er sprake was van een noodzakelijke reorganisatie die een verkorte termijn rechtvaardigde.
De Hoge Raad bevestigt het oordeel van het hof en wijst het cassatieberoep van DAF af. Tevens oordeelt de Hoge Raad dat de vordering tot conversie van de ongeldige opzegging in een geldige tegen een termijn van twee jaar niet kan slagen. Verder bevestigt de Hoge Raad dat DAF toerekenbaar tekort is geschoten door zich te gedragen alsof de eerste opzegging rechtsgeldig was, en verwijst de zaak naar een schadestaatprocedure voor de vaststelling van de schade.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt dat de eerste opzegging niet rechtsgeldig was, met verwijzing naar schadestaatprocedure voor schadevaststelling.