ECLI:NL:PHR:2012:BV2026
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Bevoegdheid geneesheer-directeur zonder psychiatrische titel voor verklaring op grond van Wet Bopz
In deze zaak stond de vraag centraal of een geneesheer-directeur die geen psychiater is, zelf een geneeskundige verklaring mag afgeven op grond van art. 5 lid 1 Wet Pro Bopz. Betrokkene verbleef in een inrichting voor verstandelijk gehandicapten en verzet zich tegen zijn verblijf. De verklaring was opgesteld door de geneesheer-directeur, een arts voor verstandelijk gehandicapten, die betrokkene onderzocht.
De Hoge Raad overwoog dat de Wet Bopz vereist dat de verklaring berust op een onderzoek door een psychiater, gedefinieerd als een arts bevoegd de titel psychiater te voeren. Hoewel in de praktijk in inrichtingen voor verstandelijk gehandicapten vaak artsen werkzaam zijn die geen psychiater zijn, volgt uit de wet dat een geneesheer-directeur zonder psychiatrische titel niet zelf het onderzoek mag verrichten. De Hoge Raad verwees naar het arrest Varbanov van het EHRM, dat vereist dat een medisch specialist een objectief onderzoek verricht.
De Hoge Raad erkent dat de praktijk mogelijk behoefte heeft aan onderzoek door artsen voor verstandelijk gehandicapten, maar dit moet via wetswijziging worden geregeld. De rechtbank had ten onrechte de verklaring van de niet-psychiatrische geneesheer-directeur als voldoende geaccepteerd. De beschikking werd vernietigd en de zaak verwezen naar de rechtbank te 's-Gravenhage.
Daarnaast oordeelde de Hoge Raad dat het feit dat de verklaring mede gebaseerd was op informatie van anderen de waarde niet aantastte, mits de geneesheer-directeur betrokkene zelf heeft onderzocht.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de beschikking omdat de geneesheer-directeur zonder psychiatrische titel niet zelf het onderzoek mag verrichten en verwijst de zaak naar de rechtbank.