ECLI:NL:HR:2006:AZ1112
Hoge Raad
- Cassatie
- D.H. Beukenhorst
- O. de Savornin Lohman
- A.M.J. van Buchem-Spapens
- J.C. van Oven
- F.B. Bakels
- E.J. Numann
- Rechtspraak.nl
Beoordeling verlening observatiemachtiging op grond van Wet Bopz en art. 5 EVRM
De zaak betreft een cassatieberoep van verzoekster tegen een beschikking van de rechtbank Rotterdam die een observatiemachtiging verleende op grond van art. 14h Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen (Wet Bopz). De rechtbank had de machtiging verleend om verzoekster in een psychiatrisch ziekenhuis op te nemen en te observeren vanwege een vermoeden van een stoornis van de geestvermogens die gevaar voor zichzelf zou veroorzaken.
De Hoge Raad oordeelt dat verzoekster niet-ontvankelijk is omdat de geldigheidsduur van de observatiemachtiging was verstreken, waardoor geen belang meer bestond bij het beroep. Desondanks overweegt de Hoge Raad inhoudelijk dat de verlening van een observatiemachtiging slechts aanvaardbaar is indien op grond van een medische verklaring met voldoende zekerheid kan worden aangenomen dat de betrokkene lijdt aan een stoornis van de geestvermogens die gevaar voor zichzelf veroorzaakt, in overeenstemming met art. 5 EVRM Pro.
Verder stelt de Hoge Raad vast dat de rechtbank de machtiging terecht heeft verleend op basis van een medische verklaring waaruit bleek dat verzoekster leed aan een paranoïde waanstoornis in het kader van schizofrenie en dat er een ernstig vermoeden bestond dat zij gevaar voor zichzelf veroorzaakte.
Tot slot oordeelt de Hoge Raad dat de rechtbank in strijd met art. 8 lid 1 Wet Pro Bopz heeft gehandeld door verzoekster niet te horen over het gewijzigde verzoek tot observatiemachtiging, hetgeen een schending van de hoorplicht inhoudt. De Hoge Raad verklaart het beroep niet-ontvankelijk en bevestigt daarmee de beschikking van de rechtbank.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart verzoekster niet-ontvankelijk in haar cassatieberoep tegen de verlening van de observatiemachtiging.