ECLI:NL:PHR:2012:BU8744
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad over stuiting van verjaring door vordering tot doorzoeking als daad van vervolging
Deze zaak betreft de vraag of een vordering tot doorzoeking op grond van artikel 110 van Pro het Wetboek van Strafvordering, gedaan door de officier van justitie aan de rechter-commissaris buiten het kader van een gerechtelijk vooronderzoek, kan worden aangemerkt als een daad van vervolging in de zin van artikel 72 van Pro het Wetboek van Strafrecht die de verjaring stuit.
De verdediging had betoogd dat de dagvaarding voor de zitting van 29 oktober 2008 de eerste daad van vervolging was, waardoor de verjaringstermijn was verstreken. Het hof oordeelde echter dat de vordering tot doorzoeking geen daad van vervolging was en dat de verjaring daardoor niet was gestuit. De advocaat-generaal stelde dat de vordering tot doorzoeking wel degelijk een daad van vervolging is, ook als deze betrekking heeft op een medeverdachte.
De Hoge Raad bevestigt dat een daad van vervolging een formele handeling is van het Openbaar Ministerie of de rechter die gericht is op het verkrijgen van een voor tenuitvoerlegging vatbare rechterlijke beslissing. De vordering tot doorzoeking ex art. 110 Sv Pro, ook buiten het gerechtelijk vooronderzoek, leidt tot betrokkenheid van de rechter-commissaris en is daarmee een daad van vervolging die de verjaring stuit. Het oordeel van het hof dat dit niet het geval zou zijn, is onjuist. De Hoge Raad vernietigt daarom de bestreden beschikking en verwijst de zaak terug voor verdere behandeling.
Uitkomst: De Hoge Raad oordeelt dat een vordering tot doorzoeking ex art. 110 Sv een daad van vervolging is die de verjaring stuit en vernietigt het oordeel van het hof.