ECLI:NL:PHR:2012:BU2863
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad over toepassing artikel 31 Vluchtelingenverdrag bij vervolging wegens bezit vervalst reisdocument
De zaak betreft de cassatie tegen een arrest van het gerechtshof te 's-Hertogenbosch, waarin verdachte werd veroordeeld voor het bezit van een vervalst reisdocument. Verdachte voerde in verweer dat het openbaar ministerie niet ontvankelijk was wegens toepassing van artikel 31, eerste lid, van het Vluchtelingenverdrag, dat strafsancties verbiedt voor vluchtelingen die onrechtmatig het land binnenkomen onder bepaalde voorwaarden.
Het hof oordeelde dat het OM slechts niet-ontvankelijk is indien evident is dat de verdachte niet onder de bescherming van artikel 31 valt Pro, en dat dit in casu niet het geval was. De Hoge Raad herhaalt echter eerdere jurisprudentie dat het OM in beginsel de statusdeterminatie moet afwachten en alleen mag vervolgen indien evident is dat de verdachte niet de bescherming van artikel 31 geniet Pro.
Verder bespreekt de Hoge Raad het begrip "rechtstreeks komend" zoals bedoeld in artikel 31, en stelt dat verblijf in een niet-veilig derde land zoals Griekenland niet automatisch als doorreis kan worden aangemerkt. Het hof had geoordeeld dat Griekenland een veilig land is, maar de Hoge Raad acht dit oordeel niet zonder meer begrijpelijk gezien recente uitspraken van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens over tekortkomingen in de Griekse asielprocedure.
De Hoge Raad vernietigt het arrest en verwijst de zaak terug naar het hof voor hernieuwde beoordeling, waarbij het hof de statusdeterminatie moet afwachten en de omstandigheden van het verblijf in Griekenland en de toepassing van artikel 31 Vluchtelingenverdrag Pro zorgvuldig moet toetsen.
Uitkomst: Arrest van het hof vernietigd en zaak terugverwezen voor hernieuwde beoordeling met inachtneming van artikel 31 Vluchtelingenverdrag.