ECLI:NL:PHR:2011:BP8952
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad over onzakelijke lening aan aanmerkelijkbelangvennootschap en terbeschikkingstellingsregeling
Belanghebbende verstrekte in 2003 een lening aan D BV, een vennootschap waarin hij een aanmerkelijk belang had. De lening werd verstrekt onder onzakelijke voorwaarden, zonder zekerheden en aflossingsschema, en D BV beschikte nauwelijks over activa. Na het faillissement van een dochtervennootschap werd de lening kwijtgescholden en wilde belanghebbende het verlies ten laste van zijn resultaat uit overige werkzaamheden brengen.
De Rechtbank en het Hof oordeelden dat de lening onzakelijk was omdat belanghebbende een debiteurenrisico liep dat een onafhankelijke derde niet zou hebben genomen, en dat dit risico was aanvaard om aandeelhoudersmotieven. Daarom kon het verlies niet in de winst worden gebracht maar moest het buiten beschouwing blijven. Het Hof paste de leer van HR BNB 2008/191 toe, ook op leningen 'omlaag' en binnen de terbeschikkingstellingsregeling.
In cassatie stelde belanghebbende dat deze leer niet van toepassing was en dat hij geen onzakelijk risico had gelopen. De Hoge Raad bevestigde het oordeel van het Hof, dat het debiteurenrisico onzakelijk was en om aandeelhoudersmotieven was aanvaard. De invloed van onzakelijk handelen moet bij de resultaatbepaling worden geëlimineerd. De Hoge Raad verwierp de cassatiemiddelen en verklaarde het beroep ongegrond.
De zaak verduidelijkt de toepassing van de terbeschikkingstellingsregeling op onzakelijke leningen aan aanmerkelijkbelangvennootschappen en bevestigt dat verliezen op dergelijke leningen niet aftrekbaar zijn als resultaat uit overige werkzaamheden.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep ongegrond en bevestigt dat het verlies op de onzakelijke lening niet ten laste van het resultaat uit overige werkzaamheden kan worden gebracht.