1 De belanghebbende heeft blijkens haar inschrijving bij het handelsregister inmiddels haar naam gewijzigd in DD B.V.
2 Noot PJW: de overeenkomst van geldlening bevat opmerkelijkerwijs geen precieze datum.
3 Noot PJW: van de achterstelling van de lening van F bij de financiering van J bestaat een achterstellingsakte van 5 december 2002; bijlage 3 bij het tiendagenstuk in hoger beroep van de Inspecteur.
4 Noot PJW: Op een telfout van € 1.000 na is dit restant van het door J gefinancierde deel van de overnameprijs in de commerciële jaarrekening 2002 verantwoord als rekening-courantschuld. Zie ook p. 5 van het tiendagenstuk in hoger beroep van de Inspecteur.
5 Rechtbank Haarlem 12 december 2008, nr. AWB08/1017, LJN BH1574, NTFR 2009/714.
6 P.J.J.M. Peeters, De "onzakelijke lening" bij de crediteur: één term met verschillende betekenissen?! Deel 1 - Openstaande rechtsvragen, WFR 2010/1510.
7 Noot PJW: deze brief is een reactie van de Staatssecretaris op een brief van GG B.V. inzake knelpunten bij het verstrekken van leningen aan het MKB. De Staatssecretaris schrijft dat de onzakelijke lening-problematiek "sterk casuïstisch" is, reden waarom hij geen 'safe harbour' kan creëren en het "uitbrengen van een beleidsbesluit op dit terrein" dan ook "geen begaanbare weg is". Ondanks de verscheidenheid aan jurisprudentie ziet hij in het kader van eenheid van beleid en uitvoering wel een coördinerende rol weggelegd voor de kennisgroepen binnen de belastingdienst. In algemene zin merkt hij op dat als binnen de 'familiesfeer' overeengekomen voorwaarden niet (exact) overeenstemmen met de voorwaarden die banken stellen, dit niet zonder meer betekent dat de geldlening per definitie onzakelijk is.
8 Noot PJW: zie over deze procedure onderdeel 6.4 hierna.
9 Noot PJW: zie 3.14 hierna.
10 Noot PJW: bedoeld zal zijn: I.
11 Hof Amsterdam 3 november 2011, nr. P09/00038, LJN BU3677, V-N 2012/7.2.4, NTFR 2012/541 met commentaar Kinnegim.
12 In de beroepsfase had de Inspecteur zich bij verweer primair op het standpunt gesteld dat de belanghebbende het risico ten behoeve van haar aandeelhouders op zich had genomen, subsidiair dat de lening niet was verstrekt met het oog op de zakelijke belangen van belanghebbendes onderneming en meer subsidiair dat het risico verbonden aan het niet-bedingen van zekerheden en een aflossingsschema in een zodanige wanverhouding stond tot het nut daarvan dat geen redelijk denkend ondernemer dit met het oog op de zakelijke belangen van de onderneming kon hebben verkozen.
13 Rechtbank 's-Gravenhage 21 februari 2011, nr. AWB 08/1659, LJN BQ0658 V-N 2011/27.2.2, NTFR 2011/1140 met commentaar Nieuweboer. Mij is niet bekend of in deze procedure hoger beroep is ingesteld; voor zover ik heb kunnen nagaan is geen sprongcassatie ingesteld.
14 HR 25 november 2011, nr. 10/05161, na conclusie Wattel, LJN BR4807, BNB 2012/38 met noot Albert, V-N 2011/63.11, NTFR 2011/2723 met commentaar Nieuweboer.
15 Er hebben twee mondelinge behandelingen plaats gehad, de eerste op 2 februari 2011 en de tweede op 7 september 2011.
16 De Staatssecretaris verwijst naar HR 25 november 2011, nr. 10/04588, na conclusie Niessen, LJN BP8952, BNB 2012/78 met noot Heithuis, V-N 2011/62.14, NTFR 2011/2834 met commentaar Ganzeveld.
17 HR 25 november 2011, nr. 08/05323, na conclusie Wattel, LJN BN3442, BNB 2012/37, met noot Albert, V-N 2011/63.10, NTFR 2011/2722 met commentaar Nieuweboer, FED 2012/20 met aantekening Marres; HR 25 november 2011, nr. 10/04588, na conclusie Niessen, LJN BP8952, BNB 2012/78 met noot Heithuis, V-N 2011/62.14, NTFR 2011/2834 met commentaar Ganzeveld; HR 25 november 2011, nr. 10/05161, na conclusie Wattel, LJN BR4807, BNB 2012/38 met noot Albert, V-N 2011/63.11, NTFR 2011/2723 met commentaar Nieuweboer. Een vierde cassatieberoep werd niet-ontvankelijk verklaard, maar wel in BNB gepubliceerd vanwege de beschouwingen over de onzakelijke lening in de conclusie: HR 25 november 2011, nr. 10/05394, na conclusie Wattel, LJN BR4813, BNB 2012/39 met noot Albert, V-N 2011/63.12, NTFR 2011/2790 met commentaar Niessen-Cobben.
18 Conclusie van 29 maart 2012, nr. 11/03249, LJN BW1971, V-N 2012/22.17, NTFR 2012/1078 met commentaar Nieuweboer.
19 W.F.E.M. Egelie, De onzakelijke lening: de Hoge Raad maakt (bijna) alles duidelijk, NTFR-B 2012/5.
20 Engelen en van Scharrenburg kozen - afgaande op HR BNB 2008/191 maar voordat U de 25 november-arresten wees - voor het moment waarop de lening wordt verstrekt. Zie F.A. Engelen en R. van Scharrenburg, Onzakelijke leningen in de vennootschapsbelasting, WFR 2008/705, par. 2.2.
21 Noot PJW: voor de te imputeren rente nam Egelie dit standpunt reeds vóór de 25 november-arresten in; zie W.F.E.M. Egelie, De onzakelijke lening: over dogmatiek, acrobatiek en maatwerk, NTFR 2011/2111. Daarbij verwees hij naar het Zweedse grootmoederarrest (HR 31 mei 1978, nr. 18 230, na conclusie Van Soest, LJN AX2866, BNB 1978/252 met noot Hofstra).
22 P.J.J.M. Peeters, Leerstuk onzakelijke lening bij de crediteur: slotakkoord door de Hoge Raad?!, WFR 2012/153.
23 Noot PJW: HR BNB 2012/78.
24 Noot PJW: HR BNB 2012/38.
25 O.C.R. Marres, De onzakelijke lening in de vennootschapsbelasting, WFR 2012/142.
26 Toevoeging PJW: HR BNB 2012/38, r.o. 3.2.3.
27 J.H.M. Arts, De arresten van 25 november 2011 over de onzakelijke lening of de nieuwe kleren van de keizer, MBB 2012/2.
28 M. Nieuweboer, Onzakelijke leningen omlaag en totaalwinst: verzoening gewenst!, NTFR 2012/292.
29 N.M. Ligthart, De onzakelijke lening in de tbs-sfeer: wetgever grijp in!, NTFB-B 2012/6.
30 Nieuweboer, t.a.p. (NTFR 2012/292).
31 HR 9 maart 1983, nr. 21 163, na conclusie Van Soest, LJN AW8960, BNB 1983/202 met noot Verburg, V-N 1983/706, punt 12. Toepasselijkheid van dit arrest voor de vennootschapsbelasting werd bevestigd in het tweede Cessna-arrest, HR 8 maart 2002, nr. 36 292, na conclusie Van Kalmthout, LJN AB2852, BNB 2002/210 met noot Essers, V-N 2002/16.3, NTFR 2002/382 met commentaar Elbert.
32 HR 14 juni 2002, nr. 36 453, na conclusie Van Kalmthout, LJN AB2865, BNB 2002/290 met noot Meussen, V-N 2002/35.20, NTFR 2002/854 met commentaar Hemels.
33 HR 18 april 2008, nr. 07/10035, LJN BC9548, BNB 2008/139 met noot Albert, V-N 2008/20.11, NTFR 2008/761 met commentaar Hemels.
34 HR 12 december 2003, nr. 38 124, na conclusie Van Kalmthout, LJN AH8973, BNB 2004/265 met noot Van der Geld, V-N 2004/2.21, NTFR 2003/2112 met commentaar Hemels.
35 Uit HR BNB 2012/38 kan zelfs niet met zekerheid worden afgeleid dat voltooiing van de liquidatie van de dochter een definitieve vermogensverschuiving inhoudt en daarmee een storting van informeel kapitaal. Van informeel kapitaal wordt in dat arrest niet gesproken. Uit het Fokker II-arrest (HR 18 oktober 2002, nr. 37 413, na conclusie Groeneveld, LJN AE3269, BNB 2003/44 met noot Meussen, V-N 2002/51.18, NTFR 2002/1543 met commentaar Van Nispen tot Sevenaer, JOR 2003/95 met commentaar Tekstra, Tijdschrift voor Insolventierecht 2003/78 met commentaar Van Andel) lijkt te volgen dat de schuldenaar ook fiscaalrechtelijk pas geacht wordt met zekerheid van zijn schulden verlost te zijn als het faillissement eindigt in een akkoord. In HR BNB 2012/78 wordt kwijtschelding door de aandeelhouder/crediteur wel met zoveel woorden aangemerkt als informele kapitaalstorting.
36 In HR BNB 2012/37 overwoog u (r.o.3.3.5): "Of sprake is van een onzakelijke lening dient te worden beoordeeld naar het moment van het aangaan van de lening met dien verstande dat een zakelijke lening gedurende haar looptijd ten gevolge van onzakelijk handelen van de crediteur vervolgens alsnog een onzakelijke lening kan worden (...)"
37 Vgl. Arts, t.a.p., par. 5 (zie 5.3.6) en Nieuweboer, t.a.p., par. 3 (zie 5.3.7).
38 Zie ook Albert in punt 15 van zijn noot bij HR BNB 2012/37.
39 Cursus belastingrecht (Onderdeel Vpb), punt 2.4.13.B.b1.V.
40 In wezen gebeurt dit reeds op het moment van aangaan van de lening, maar het is duidelijk dat u op dat moment uit praktisch oogpunt nog geen correctie wilt.
41 R.P.C. Cornelisse en G.J.W.M. Derckx, 'De onzakelijke geldlening (door moeder aan dochter) bestaat niet; wel de onzakelijke investering', WFR 2011/488.
42 Kamerstukken II, 1995-1996, 24 696, nr. 3 (MvT), p. 6.
43 HR 4 juni 2010, nr. 08/01549, na conclusies Wattel, LJN BI5091, BNB 2010/236 met noot De Vries, V-N 2010/27.12, NTFR 2010/1375 met commentaar Van Horzen, FED 2010/75 met aantekening Albert.
44 HR 18 december 1991, nr. 27 096, na conclusie Verburg, LJN ZC4831, BNB 1992/144 met noot Juch, V-N 1992/463, punt 27, FED 1992/623 met aantekening Aardema. Art. 13(5) Wet Vpb zoals dat gold tot 28 april 1990 is materieel voortgezet in het per die datum in werking getreden art. 13d Wet Vpb.
45 Hof Arnhem 20 oktober 2009, nr. 08/00434, LJN BK1761, V-N 2010/4.15, NTFR 2009/2402 met commentaar Egelie. Deze uitspraak is bekritiseerd omdat Hof niet uitlegt waarom uit de juistheid van het subsidiaire standpunt van de inspecteur voortvloeit dat art. 13ca Vpb toepassing mist. Er is geen cassatieberoep ingesteld. De Rechtbank (Arnhem 18 juli 2008, nrs. 07/3557 en 07/3558, LJN BG0255, V-N 2009/13.2.1, NTFR 2008/167) had wel aftrek op grond van art. 13ca Wet Vpb toegestaan ter grootte van het negatieve eigen vermogen van de deelneming/debiteur, maar baseerde dat op de overweging dat fiscaalrechtelijk geen sprake was van geldlening maar van informele kapitaalstorting.
46 Rechtbank Arnhem 9 februari 2010, nrs. AWB 08/3485 en 09/4057, LJN BM1639, V-N 2010/25.12. In hoger beroep trok de belastingplichtige haar beroep op art. 13ca Vpb ter zitting in; zie r.o. 3.2 van Hof Arnhem 15 juni 2011, nrs. 10/00132 en 10/00134, LJN BQ9250, NTFR 2011/1475 met noot Van Horzen. In deze zaak heeft de Staatssecretaris beroep in cassatie ingesteld, bij u bekend onder nr. 11/03249. In deze zaak heb ik op 29 maart 2012 geconcludeerd; zie 5.1 hierboven.
47 Hof Amsterdam 31 maart 2011, nrs. 08/01224, 08/01226 en 08/01227, LJN BQ1687, V-N 2011/32.1.2, NTFR 2011/943 met noot Van Horzen. In deze zaak heeft de belastingplichtige cassatieberoep ingesteld, bij u bekend onder rolnr. 11/02248. Eventuele toepassing van art. 13ca Wet Vpb is in cassatie niet meer aan de orde. In deze zaak heb ik op 16 februari 2012 geconcludeerd (zie LJN BW6552).
48 Vgl. HR 29 januari 1997, nr. 31 822, LJN AA2087, HR BNB 1997/144 met noot Aardema, V-N 1997/741, punt 15, FED 1997/129 met aantekening Van der Wal.
49 Vgl. HR 6 maart 1963, nr. 14 995, LJN AX7927, BNB 1963/113.