ECLI:NL:PHR:2013:BW7728
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beëindiging pachtovereenkomst en terbeschikkingstellingsregeling in inkomstenbelasting
Belanghebbende had een pachtovereenkomst met zijn BV die in 2003 met terugwerkende kracht per 1 januari 2003 werd beëindigd zonder vergoeding. De vraag was in welk jaar het voordeel uit de beëindiging van de terbeschikkingstelling van de gronden en hoeve in de heffing moet worden betrokken en of de doorschuiffaciliteit van artikel 3.99 Wet IB 2001 van toepassing is.
De Rechtbank en het Hof oordeelden dat de waarde van de gronden per 1 januari 2001 in verpachte staat moet worden vastgesteld en dat het voordeel uit de beëindiging rechtens met terugwerkende kracht per 1 januari 2003 is ontstaan, waardoor het resultaat naar keuze in 2002 of 2003 mocht worden belast. Het Hof wees toepassing van artikel 3.99 Wet IB 2001 af omdat geen sprake was van uitgroeien tot een onderneming.
De Hoge Raad stelde vast dat de feitelijke terbeschikkingstelling pas eindigde in 2003 en dat het voordeel dan ook in dat jaar moet worden belast. De terugwerkende kracht van de ontbinding kan de feitelijke terbeschikkingstelling niet met terugwerkende kracht beëindigen. Het beroep van belanghebbende werd gegrond verklaard en het arrest van het Hof vernietigd. De overige middelen faalden.
Uitkomst: Het voordeel uit de beëindiging van de pachtovereenkomst moet in het jaar van feitelijke beëindiging 2003 worden belast; het arrest van het Hof wordt vernietigd.