Conclusie
Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden
1.Inleiding
2.De feiten en het geding in feitelijke instanties
3.Het geding in cassatie
4.Wetgeving, wetsgeschiedenis, jurisprudentie en literatuur
BNB2008/191: [5]
BNB2012/37. [6] Uit dit arrest volgt onder meer dat het debiteurenrisico op een onzakelijke lening tussen gelieerde vennootschappen in de kapitaalsfeer ligt:
BNB2012/78 verklaarde de Hoge Raad het leerstuk van de onzakelijke lening ook van toepassing op geldleningen die vallen onder het regime van de terbeschikkingstellingsregeling van artikel 3.92 Wet IB 2001. Een (kwijtscheldings)verlies op een dergelijke geldlening is derhalve niet aftrekbaar: [7]
BNB2016/38 overwoog de Hoge Raad dat de onzakelijke aanvaarding van een debiteurenrisico behalve op aandeelhoudersrelaties ook kan zijn gestoeld op persoonlijke betrekkingen tussen natuurlijke personen: [12]
BNB2016/133 heeft de Hoge Raad overwogen dat de onzakelijkeleningjurisprudentie ook geldt voor de terbeschikkingstellingsregeling van artikel 3.91 Wet IB 2001. Voorts preciseerde hij dat het onzakelijke debiteurenrisico bij een dergelijke lening opkomt in de privésfeer: [13]