ECLI:NL:PHR:2010:BM2467
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt afwijzing noodweerverweer bij mishandeling vader
De zaak betreft een mishandeling op 20 januari 2006 te Rotterdam, waarbij verdachte zijn vader verdedigde tegen aangever. Volgens verdachte handelde hij uit noodweer toen hij de aangever wegduwde, waarbij mogelijk per ongeluk de neus van aangever werd gebroken. Het hof oordeelde echter dat verdachte met disproportioneel geweld handelde door aangever te stompen en te schoppen, wat niet geboden was als noodzakelijke verdediging.
Het hof verwierp het noodweerverweer en veroordeelde verdachte tot een werkstraf en subsidiair hechtenis. In cassatie klaagde verdachte onder meer dat het hof onvoldoende had gemotiveerd waarom het noodweerverweer werd afgewezen en dat hij geen advocaat mocht raadplegen voorafgaand aan het politieverhoor, in strijd met art. 6 EVRM Pro.
De Hoge Raad oordeelde dat het verweer omtrent het ontbreken van advocaat niet eerder aan het hof was voorgelegd en daarom niet in cassatie kon worden behandeld. Ook vond de Hoge Raad de motivering van het hof omtrent het noodweerverweer toereikend en begrijpelijk. Het hof had de feiten zorgvuldig gewogen en geoordeeld dat het geweld van verdachte niet proportioneel was. Het cassatieberoep werd verworpen.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de veroordeling van verdachte wegens mishandeling en wijst het noodweerverweer af.