ECLI:NL:HR:2009:BH3081
Hoge Raad
- Cassatie
- A.J.A. van Dorst
- J.P. Balkema
- H.A.G. Splinter-van Kan
- C.H.W.M. Sterk
- M.A. Loth
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van rechtsbijstand voorafgaand aan politieverhoor en bewijsuitsluiting
Deze zaak betreft het cassatieberoep van een verdachte tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam waarin onder meer de toepassing van artikel 6 EVRM Pro werd besproken met betrekking tot het recht op rechtsbijstand voorafgaand aan het politieverhoor.
De Hoge Raad bespreekt uitvoerig de jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM), met name de zaak Salduz tegen Turkije, waarin is vastgesteld dat verdachten in beginsel recht hebben op toegang tot een advocaat vanaf het eerste politieverhoor. De Raad benadrukt dat het ontbreken van deze mogelijkheid in principe een vormverzuim oplevert dat tot bewijsuitsluiting kan leiden, tenzij de verdachte ondubbelzinnig afstand heeft gedaan van dit recht of er dwingende redenen zijn.
In deze zaak is echter niet gebleken dat de klacht over het gebruik van een verklaring zonder voorafgaande advocaatbijstand aan het hof is voorgelegd. De Hoge Raad stelt dat een dergelijk verweer niet voor het eerst in cassatie kan worden ingebracht omdat dit een feitelijke beoordeling vereist. Daarom faalt het middel en wordt het beroep verworpen.
De uitspraak bevestigt de noodzaak voor strafrechters om in voorkomende gevallen de gevolgen van het ontbreken van advocaatbijstand te beoordelen, maar benadrukt ook de procesrechtelijke beperkingen van het cassatieberoep op dit punt.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep omdat het verweer niet aan het hof was voorgelegd en niet in cassatie kan worden ingebracht.