ECLI:NL:PHR:2010:BM2452
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad over bewijsminimum bij zedenzaken en toepassing art. 342 lid 2 Sv
In deze zaak oordeelt de Hoge Raad over de toepassing van het bewijsminimum zoals neergelegd in art. 342 lid 2 Sv Pro, dat vereist dat een bewezenverklaring niet uitsluitend mag steunen op de verklaring van één getuige zonder voldoende steun in ander bewijsmateriaal. Het hof had verdachte veroordeeld wegens meermalen ontuchtige handelingen met een minderjarig slachtoffer, gebaseerd op verklaringen van het slachtoffer en enkele ondersteunende getuigenverklaringen.
De Hoge Raad stelt dat het hof onvoldoende heeft gemotiveerd waarom de verklaringen van het slachtoffer voldoende steun vinden in het overige bewijsmateriaal. Hoewel het hof uitgebreid inging op de betrouwbaarheid van de verklaring van het slachtoffer, ontbrak een nadere motivering die het kennelijke oordeel van voldoende steun ondersteunt. Hierdoor is de bewezenverklaring ontoereikend gemotiveerd.
Daarnaast bespreekt de Hoge Raad de verhouding tussen art. 342 lid 2 Sv Pro en art. 6 lid 3 onder Pro d EVRM, waarbij wordt benadrukt dat de eis van voldoende steun strikt moet worden gehanteerd om zorgvuldige bewijsvoering te waarborgen, ook in zedenzaken met minderjarige getuigen. Het hof had ook niet ambtshalve het slachtoffer als getuige gehoord, maar dit levert geen schending van art. 6 EVRM Pro op gezien de omstandigheden.
Het middel slaagt derhalve, het arrest wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde berechting. Tevens herstelt de Hoge Raad een verzuim van het hof betreffende de verrekening van voorlopige hechtenis bij de strafuitvoering.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd wegens onvoldoende gemotiveerde bewezenverklaring en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde berechting.