ECLI:NL:PHR:2010:BM0387
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Onverenigbaarheid sectorale premiedifferentiatie kleine werkgevers met landelijke verevening indirecte uitkeringslasten
De zaak betreft de geschilpunten over de berekening van de gedifferentieerde WAO-premie voor kleine werkgevers, waarbij belanghebbende bezwaar maakte tegen de wijze waarop het UWV de sectorale opslag of korting vaststelde. De kern van het geschil was of de indirecte uitkeringslasten, die niet direct aan individuele werkgevers zijn toe te rekenen, mogen worden meegenomen bij het bepalen van de opslag of korting voor kleine werkgevers per sector.
De Rechtbank Breda oordeelde dat het UWV onrechtmatig handelde door indirecte uitkeringslasten mee te rekenen bij kleine werkgevers, omdat dit niet strookt met de wettelijke bepalingen en de bedoeling van de wetgever. De Centrale Raad van Beroep (CRvB) kwam tot een tegenovergesteld oordeel en vond dat de indirecte lasten wel onder de sectorale toerekening vallen. Het Gerechtshof bevestigde dit standpunt en verklaarde het hoger beroep ongegrond.
De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad concludeert dat het Hof ten onrechte heeft geoordeeld dat de indirecte lasten mogen worden toegerekend aan kleine werkgevers. Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat de wetgever een landelijke verevening van deze lasten beoogde. Desondanks stelt de Procureur-Generaal dat het bezwaar van belanghebbende niet-ontvankelijk is omdat het bezwaar niet gericht is tegen een besluit maar tegen een mededeling. De Hoge Raad vernietigt daarom de eerdere uitspraken en verklaart het bezwaar niet-ontvankelijk.
Uitkomst: Bezwaar tegen vaststelling gedifferentieerde WAO-premie voor kleine werkgevers wordt niet-ontvankelijk verklaard.