ECLI:NL:CRVB:2008:BD0221
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- H.J. Simon
- H.J. de Mooij
- M. Greebe
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering kinderbijslag aan asielzoeker op grond van verblijfsstatus
Appellant, een asielzoeker zonder definitieve verblijfsvergunning, vroeg kinderbijslag aan voor zijn in Nederland geboren dochter. De Sociale verzekeringsbank (Svb) wees dit af omdat appellant niet verzekerd was op grond van de Algemene Kinderbijslagwet (AKW). Appellant maakte bezwaar en voerde aan dat het kind door deze weigering werd gediscrimineerd en dat het recht op kinderbijslag een zelfstandig recht van het kind is, onderbouwd met verwijzingen naar het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) en het Internationaal Verdrag inzake de rechten van het kind (IVRK).
De Raad overwoog dat het recht op kinderbijslag volgens artikel 11 van Pro de AKW toekomt aan de verzekerde ouder en niet aan het kind zelf. Omdat appellant niet als verzekerde kon worden aangemerkt vanwege zijn verblijfsstatus, kon hij geen aanspraak maken op kinderbijslag. Het beroep op het IVRK faalde mede vanwege het voorbehoud dat Nederland heeft gemaakt bij artikel 26 van Pro het IVRK, waardoor geen zelfstandig recht van het kind op kinderbijslag bestaat. Ook het beroep op artikel 14 EVRM Pro werd verworpen.
De Raad bevestigde dat de uitsluiting van verzekering op grond van de Koppelingswet gerechtvaardigd is en dat de AKW geen zelfstandig recht op kinderbijslag aan kinderen verleent. De eerdere jurisprudentie over de WWB, waarin het kind wel als zelfstandig subject kan optreden, is niet van toepassing op de AKW. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak van de rechtbank Maastricht bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de weigering van kinderbijslag bevestigd.