ECLI:NL:CRVB:2004:AQ2379

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
8 juli 2004
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
03/4491 AKW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 AKWArt. 3 AKWArt. 6 lid 1 AKWArt. 8:75 Awb
Verwijzingen
8 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing kinderbijslag wegens ontbreken ingezetenschap op peildatum

Appellante verzocht kinderbijslag, maar haar aanvraag werd op 18 februari 2002 afgewezen omdat zij op de peildatum 1 april 2002 niet als ingezetene van Nederland kon worden beschouwd en daardoor niet verzekerd was op grond van de Algemene Kinderbijslagwet (AKW). De rechtbank verklaarde het beroep tegen dit besluit ongegrond. Appellante stelde hoger beroep in bij de Centrale Raad van Beroep.

De Raad oordeelde dat de kernvraag was of appellante op 1 april 2002 een juridische, economische en sociale binding met Nederland had die voldoende was om haar als ingezetene aan te merken. Hoewel haar sociale binding met Nederland aanzienlijk was (gezin verbleef in Nederland, kinderen volgden onderwijs, echtgenoot volgde inburgeringscursus en verrichtte vrijwilligerswerk), ontbrak een sterke economische binding. Appellante was afhankelijk van een uitkering en beschikte niet over zelfstandige woonruimte.

De Raad concludeerde dat appellante niet als ingezetene kon worden beschouwd omdat zij niet beschikte over een geldige verblijfsvergunning en haar aanvraag tot toelating nog niet onherroepelijk was beslist. Het besluit van de Sociale Verzekeringsbank werd daarom terecht bevestigd. Tevens wees de Raad op het beleid dat een verblijfsduur van drie jaar een positieve aanwijzing kan zijn voor ingezetenschap, maar dit was hier niet van toepassing.

De uitspraak werd op 8 juli 2004 in het openbaar gegeven door rechter R.C. Stam, waarbij de beslissing van de rechtbank werd bekrachtigd.

Uitkomst: De afwijzing van de kinderbijslagaanvraag werd bevestigd omdat appellante op de peildatum niet als ingezetene kon worden aangemerkt.

Uitspraak

E N K E L V O U D I G E K A M E R
03/4491 AKW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,
en
de Raad van bestuur van de Sociale Verzekeringsbank, gedaagde.
?. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2003 zijn de artikelen 3, 4 en 5 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, voor zover het betreft de Sociale Verzekeringsbank in werking getreden. Thans oefent gedaagde de taken en bevoegdheden uit die tot genoemde datum werden uitgeoefend door de Sociale Verzekeringsbank. In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan de Sociale Verzekeringsbank (SVB).
Bij besluit van 24 april 2002 heeft gedaagde ongegrond verklaard de bezwaren van appellante tegen het besluit van 18 februari 2002, waarbij de aanvraag van appellante om toekenning van kinderbijslag is afgewezen omdat zij op 1 april 2002 niet als ingezetene kan worden aangemerkt en derhalve niet is verzekerd voor de Algemene Kinderbijslagwet (AKW).
De rechtbank Groningen heeft bij uitspraak van 14 augustus 2003 onder kenmerk 02/491 het tegen dat besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Appellante heeft hiertegen op bij beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Bij brief van 4 juni 2004 heeft appellante nadere stukken ingezonden.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 17 juni 2004, waar appellante in persoon is verschenen, en waar gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. A.P. van den Berg, werkzaam bij de SVB.
??. MOTIVERING
Partijen zijn in dit geding verdeeld over het antwoord op de vraag of appellante op de peildatum van het tweede kwartaal 2002, 1 april 2002, als verzekerd in de zin van de AKW kan worden aangemerkt.
Ingevolge artikel 6, eerste lid, van de AKW is verzekerd overeenkomstig de bepalingen van deze wet degene, die
a. ingezetene is;
b. geen ingezetene is, doch ter zake van in Nederland in dienstbetrekking verrichte
arbeid aan de loonbelasting is onderworpen.
Niet in geschil is dat appellante op voornoemde peildatum niet ter zake van binnen Nederland in dienstbetrekking verrichte arbeid aan de loonbelasting was onderworpen.
Ingevolge artikel 2 van Pro de AKW is ingezetene degene die in Nederland woont. De vraag, waar een persoon woont, wordt voor de toepassing van de AKW, ingevolge artikel 3, eerste lid, van die wet naar de omstandigheden beantwoord. Naar vaste jurisprudentie van de Raad is daarbij in het bijzonder van belang in welke mate er sprake is van een sociale, economische en juridische binding van de betrokken persoon met Nederland. Aangenomen moet worden dat op het moment dat het middelpunt van het maatschappelijk leven geacht kan worden in Nederland te zijn gelegen, de betrokken persoon woonplaats in Nederland heeft.
De Raad is met de rechtbank van oordeel dat op de in geding zijnde peildatum niet gezegd kan worden dat de binding met Nederland dusdanig was dat appellante als ingezetene kan worden beschouwd.
Appellante verblijft sinds 8 juni 1999 in Nederland. Op 1 april 2002 beschikte zij niet langer over een voorwaardelijk vergunning tot verblijf en over haar aanvraag tot toelating in Nederland was nog niet onherroepelijk beslist. De economische binding van appellante met Nederland is naar het oordeel van de Raad evenmin als sterk te beschouwen. Appellante was voor haar levensonderhoud immers aangewezen op een uitkering op grond van de Wet gemeentelijke zorg voor houders van een voorwaardelijke vergunning tot verblijf en beschikte niet over eigen, zelfstandige woonruimte daar de gemeente in het kader van voornoemde wet zorg droeg voor haar huisvesting en de daarmee gepaard gaande vaste lasten.
De sociale binding van appellante met Nederland was op 1 april 2002 aanzienlijk sterker. Hierbij acht de Raad van belang dat op 1 april 2002 het gehele gezin van appellante in Nederland verbleef, de oudste kinderen onderwijs volgden en het jongste kind hier ten lande is geboren. Tevens acht de Raad van betekenis dat appellante en haar echtgenoot een inburgeringcursus hebben gevolgd en haar echtgenoot vrijwilligerswerk voor Humanitas heeft verricht. Hierbij tekent de Raad echter aan, dat een persoonlijke band van duurzame aard bij vestiging in Nederland geleidelijk wordt opgebouwd.
Gelet op het vorenstaande stelt de Raad vast dat gedaagde, de juridische, economische en sociale binding in onderling samenhang bezien, terecht en op goede gronden het bestreden besluit heeft genomen. Dit betekent dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
Naar aanleiding van het verhandelde ter zitting wil de Raad niet onbesproken laten dat het door gedaagde met inwerkingtreding van de Koppelingswet per 1 juli 1998 verlaten zogenaamde drie-jaren beleid opnieuw in haar Beleidsregels 2004 is opgenomen. Volgens voornoemd beleid kan in een situatie waarin geen sprake is van een juridische binding omdat een persoon niet over een vergunning tot verblijf beschikt waardoor in beginsel geen zekerheid bestaat op voortgezet verblijf in Nederland, een gerealiseerde verblijfsduur van drie jaren in Nederland een positieve aanwijzing vormen voor het aannemen van ingezetenschap.
De Raad acht tot slot geen termen aanwezig voor toepassing van artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
???. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. R.C. Stam, in tegenwoordigheid van M. Renden als griffier, en uitsproken in het openbaar op 8 juli 2004.
(get.) R.C. Stam
(get.) M. Renden
Tegen een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep ingevolge de Algemene Kinderbijslagwet kan ieder der partijen beroep in cassatie instellen, maar alleen ter zake van schending of verkeerde toepassing van het bepaalde bij of krachtens artikel 2, 3 of 6 van die wet.
Dit beroep wordt ingesteld door binnen zes weken nadat dit afschrift der uitspraak ter post is bezorgd, een beroepschrift in cassatie aan de Centrale Raad van Beroep in te zenden.
MvK08074