ECLI:NL:PHR:2007:BA6231
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Arbeidsovereenkomst of managementovereenkomst bij directeur thuiszorg en pensioenfonds
Thuiszorg Rotterdam had een managementovereenkomst gesloten met [A] Holding B.V., waarbij de algemeen directeur, tevens enig aandeelhouder van de holding, werkzaamheden verrichtte. PGGM, het bedrijfstakpensioenfonds voor de zorgsector, stelde dat de directeur verplicht deelnemer was aan het pensioenfonds op grond van een arbeidsovereenkomst met Thuiszorg Rotterdam.
De rechtbank oordeelde aanvankelijk dat er geen arbeidsovereenkomst was en wees het dwangbevel van PGGM af. Het hof vernietigde dit vonnis en stelde vast dat ondanks de managementovereenkomst feitelijk sprake was van een arbeidsovereenkomst tussen Thuiszorg Rotterdam en de directeur. Het hof baseerde dit onder meer op het ontbreken van BTW-afdracht over de managementfee, de persoonlijke uitvoering van werkzaamheden en de wijze van betaling via de loonadministratie.
De Hoge Raad bevestigt dat de kwalificatie van de rechtsverhouding niet doorslaggevend is en dat de rechter de wezenlijke bedoeling van partijen en de feitelijke uitvoering moet onderzoeken. De Hoge Raad stelt dat de fiscale kwalificatie en statutaire bepalingen niet beslissend zijn voor de civielrechtelijke beoordeling. Wel oordeelt de Hoge Raad dat PGGM geen zelfstandige toetsingsbevoegdheid heeft en dat derden zich niet kunnen beroepen op het rechtsvermoeden van een arbeidsovereenkomst in art. 7:610a BW.
De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof en verwijst de zaak voor verdere beoordeling terug, met name omdat het hof onvoldoende gemotiveerd heeft waarom fiscale aspecten civielrechtelijk relevant zijn. De zaak draait om de vraag of de feitelijke rechtsverhouding voldoet aan de dwingende criteria van een arbeidsovereenkomst, ondanks de vormgeving als managementovereenkomst.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof en verwijst de zaak terug voor nadere beoordeling van de arbeidsrechtelijke kwalificatie.