ECLI:NL:PHR:2007:BA4663
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt afwijzing beroep op gelijkheidsbeginsel inzake fiscale vrijplaatsen en Vinkenslagregeling
De zaak betreft een belanghebbende die bezwaar maakte tegen aanslagen inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen over de jaren 1999 tot en met 2002. Media onthulden in 2004 dat de Belastingdienst met bewoners van woonwagencentrum De Vinkenslag afspraken had gemaakt waarbij winst werd belast tegen circa 3% van de omzet, een zogenoemde contra legem regeling. De belanghebbende stelde dat de fiscus groepen belastingplichtigen bewust buiten heffing hield en wilde met een beroep op het gelijkheidsbeginsel ook zo behandeld worden.
Het Hof verklaarde de bezwaren over 1999-2001 niet-ontvankelijk wegens niet-verschoonbare termijnoverschrijding en wees het beroep op het gelijkheidsbeginsel over 2002 af. De Hoge Raad bevestigt deze beslissingen. De Hoge Raad oordeelt dat een na de bezwaartermijn bekend geworden reden voor bezwaar geen verschoonbaarheid kan creëren. Daarnaast is de belanghebbende fiscaal geen ondernemer en dus geen vergelijkbaar geval met de Vinkenslagondernemers, die vanwege hun specifieke kenmerken en gedragingen fiscaal anders worden behandeld.
De Hoge Raad benadrukt dat de Vinkenslagafspraken en andere contra legem regelingen voor een beperkte groep gelden en in strijd zijn met de openbare orde, waardoor ze niet bindend zijn. Ook wijst de Hoge Raad op het belang van het legaliteitsbeginsel en dat ongerechtvaardigde fiscale privileges niet mogen worden uitgebreid. De uitspraak bevestigt dat ongelijkheid in dit soort gevallen moet worden opgeheven door beëindiging van privileges en verbetering van handhaving, niet door proliferatie van ongerechtvaardigde voordelen.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt ongegrond verklaard; de bezwaren zijn niet-ontvankelijk of ongegrond wegens niet-verschoonbare termijnoverschrijding en falen van het beroep op het gelijkheidsbeginsel.