ECLI:NL:PHR:2005:AT5958
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad over kwalificatie en deelnemingsvrijstelling van prêt participatif in vennootschapsbelasting
In deze zaak staat centraal of een door een Nederlandse vennootschap aan haar Franse dochter verstrekte prêt participatif moet worden aangemerkt als een deelnemerschapslening en of de daarop ontvangen vergoedingen onder de deelnemingsvrijstelling vallen. De prêt participatif heeft een looptijd van 95 jaar, een vast rentepercentage van 1% en een variabel winstafhankelijk deel. De Franse dochter trok de renteaftrek deels af, terwijl de Nederlandse moeder de opbrengsten als winstbewijzen aangaf.
De inspecteur legde navorderingsaanslagen op omdat hij meende dat de vergoedingen niet onder de deelnemingsvrijstelling vielen. Het Hof bevestigde dit standpunt en oordeelde dat de prêt participatif niet voldoet aan de strenge voorwaarden voor deelnemerschapsleningen, zoals winstafhankelijkheid van de vergoeding, achterstelling en geen vaste looptijd. De Hoge Raad toetst deze beoordeling en bespreekt uitgebreid de civielrechtelijke vorm, uitzonderingen daarop, en de materiële toetsing van winstafhankelijkheid en looptijd.
De Hoge Raad benadrukt dat de civielrechtelijke vorm in principe bepalend is, maar dat uitzonderingen gelden indien de lening feitelijk een kapitaalverstrekking inhoudt, bijvoorbeeld bij winstafhankelijke vergoeding, achterstelling en afwezigheid van vaste looptijd. De zaak bevat een uitgebreide analyse van jurisprudentie, literatuur en Europese richtlijnen, waaronder de moeder-dochterrichtlijn en de interest/royaltyrichtlijn.
Uiteindelijk bevestigt de Hoge Raad dat de navorderingsaanslagen terecht zijn opgelegd, omdat de inspecteur geen ambtelijk verzuim heeft begaan en het vertrouwen van de belanghebbende niet in het gedrang komt. Tevens wordt geoordeeld dat de winstafhankelijke vergoeding niet volledig afhankelijk hoeft te zijn van de winst, maar dat de vergoeding in zijn geheel moet worden beoordeeld. Splitsing van vaste en variabele delen in de vergoeding wordt afgewezen, en de deelnemingsvrijstelling is niet van toepassing op het variabele deel van de vergoeding.
Deze uitspraak geeft belangrijke richtlijnen over de fiscale kwalificatie van hybride financieringsvormen en de toepassing van de deelnemingsvrijstelling, waarbij zowel nationale fiscale regels als Europese belastingrichtlijnen een rol spelen.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat de navorderingsaanslagen terecht zijn opgelegd en dat de vergoedingen uit de prêt participatif niet onder de deelnemingsvrijstelling vallen.