ECLI:NL:PHR:2013:BZ0216
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Fiscaalrechtelijke kwalificatie van redeemable preference shares in internationale concernstructuur
De zaak betreft de fiscale kwalificatie van een geldverstrekking in de vorm van Australische redeemable preference shares (RPS) binnen een internationale concernstructuur. De belanghebbende, een Nederlandse fiscale eenheid, hield indirect aandelen in een Australische vennootschap die RPS aan haar uitgaf met een vaste vergoeding en vaste looptijd, maar vrijwel zonder stemrecht. De vraag was of de vergoeding op deze RPS fiscaal als rente of als vrijgesteld deelnemingsdividend moest worden gekwalificeerd.
De Rechtbank Haarlem kwalificeerde de RPS als lening en de vergoeding als belaste rente, en oordeelde dat de omzetting van lening in RPS in fraudem legis was verricht. Het Hof Amsterdam oordeelde in hoger beroep dat de RPS voldoende vergelijkbaar zijn met cumulatief preferente aandelen in Nederland en kwalificeerde de vergoeding als vrijgesteld dividend. Het Hof verwierp ook het beroep op fraus legis.
De staatssecretaris stelde cassatieberoep in, stellende dat het Hof ten onrechte het Australische recht als maatstaf nam en onvoldoende onderzoek deed naar de positie van RPS-houders in faillissement. De Procureur-Generaal concludeerde dat het Hof niet de juiste maatstaf had gebruikt en dat de zaak verwezen moet worden voor nader feitelijk onderzoek, met name naar de positie van RPS-houders ten opzichte van achtergestelde schuldeisers onder Australisch recht. Tevens oordeelde hij dat het gebruik van verschillen tussen Nederlands en Australisch recht niet strijdig is met doel en strekking van de deelnemingsvrijstelling. De Hoge Raad volgde deze conclusie en vernietigde het arrest van het Hof.
Uitkomst: Het arrest van het Hof Amsterdam wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor nader onderzoek naar de fiscale kwalificatie van de RPS onder Australisch recht.