Conclusie
Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden
1.Overzicht
feitelijkniet ten achter staat bij alle crediteuren. Ik meen aan het (zonder
mismatch, dus volledig) overstappen van het vreemd-vermogensregime naar het eigen-vermogensregime slechts dan de fiscale gevolgen van het fiscale eigen-vermogensregime kunnen worden onthouden als vanuit de fiscaalrechtelijke norm bezien in wezen niet van eigen vermogen kan worden gesproken. Dat geval doet zich mijns inziens pas voor als de geldverstrekker bij (voortijdig) faillissement van de vennootschap feitelijk of rechtens niet ná alle schuldeisers in de rij staat. Dat heeft de Rechtbank niet vastgesteld. Evenmin is sprake van een circulair samenstel van transacties waarbij de eindsituatie identiek is aan de beginsituatie: er is niet ‘niks gebeurd’.
2.De feiten en het geding in feitelijke instantie
Artikel 1. Begripsbepalingen
- hoewel [[B]; PJW] niet de verplichting had om de aandelen B terug te kopen en uit de contracten evenmin volgt dat [[B]; PJW] verplicht was de optie uit te oefenen (en daarmee de [[C]-; PJW] aandelen terug te kopen) of dat er sprake was van enige andere vorm van terugbetalingsverplichting jegens het fonds, was het samenstel van transacties er op gericht dat eiseres na ommekomst van drie jaar weer over het door haar verstrekte bedrag van € 375.161.000 kon beschikken. Dan zou het gehele bedrag zijn terugbetaald of in handen van het fonds zijn waaruit eiseres het bedrag vrijelijk zou kunnen opnemen. Dat dit het met het samenstel van transacties beoogde resultaat was, volgt uit de (…) artikelen 7.1.1, 7.1.2 en 7.1.3 van de aandeelhoudersovereenkomst. Op grond daarvan was [[B]; PJW] verplicht, na uitoefening van de call optie, de aandelen A aan het fonds aan te bieden. Voorts moest [[B], PJW] op alle mogelijke manieren meewerken aan ontbinding en liquidatie van [[G], PJW] als het fonds dat zou wensen. Het feit dat het op de B-aandelen gestorte kapitaal feitelijk nagenoeg geheel uit agio bestond (…), maakte voorts dat eiseres civielrechtelijk eenvoudiger over de door haar geïnvesteerde geldsom kon beschikken.
sic; PJW]. Dus liep eiseres geen aandeelhoudersrisico's (waaronder een koersrisico) maar slechts een kredietrisico en waren de andere aandeelhouders (in casu enkel de aandeelhouder van de aandelen A nu geen aandelen C zijn uitgegeven) achtergesteld bij de houders van de B-aandelen. Voorts is niet gesteld of gebleken dat [[G], PJW] schuldeisers had. Het gaat hier derhalve naar het oordeel van de rechtbank feitelijk niet om een winstverdeling (de beloning voor de terbeschikkingstelling van vermogen dat fiscaalrechtelijk als eigen vermogen geldt);
5.Het geschil in cassatie
in fraudem legis; de kapitaaldeelname c.a. moet gesubstitueerd worden door de naast bij gelegen rechtshandeling c.a.: een geldlening met zekerheden voor bepaalde tijd, nl. drie jaar (aldus het subsidiaire standpunt van de Inspecteur in feitelijke instanties).
redeemable preference shareswaarin de fiscus echter een voortzetting in ander omhulsel ziet van de daaraan voorafgegane lening van de Nederlandse aan de Australische vennootschap. Wel zijn er de volgende verschillen tussen de twee zaken:
redeemable preference shares; in casu gaat het uitsluitend om de toepassing van Nederlands burgerlijk en belastingrecht;
altijdin zekere mate deelneemt in het bedrijfsrisico, nu kenmerk van vennootschapsrechtelijk kapitaal is – ook van cumulatief-preferent, losbaar, omwisselbaar, afkoopbaar en intrekbaar kapitaal – dat het niet als schuldvordering opeisbaar is in geval van voortijdig faillissement, surséance van betaling of liquidatie van het belastingplichtige lichaam, hoezeer de geldverstrekking ook (op een ná faillissement gelegen tijdstip) terugbetaalbaar zou zijn geworden, zodat het tot dat tijdstip garantievermogen vormt voor de crediteuren, ook voor achtergestelde crediteuren. Dat neemt niet weg dat het mogelijk is dat een – vennootschapsrechtelijke – kapitaaldeelname obligatoir omgeven wordt met contractuele bedingen die fiscaalrechtelijk in de weg kunnen staan aan de kwalificatie ‘eigen vermogen.’
juridischniet ten achter van alle – ook de achtergestelde – schuldeisers (hierop moet mijns inziens de verwijzingsopdracht zien in de aanhangige zaak 12/03540 van de Australische
redeemable preference shares) of
feitelijkniet ten achter staat bij alle crediteuren (dat is het standpunt van de fiscus in de thans te beoordelen zaak).
redeemable sharesin zaak 12/03540), geenszins te betekenen dat het vennootschapsrechtelijk of fiscaalrechtelijk om vreemd vermogen gaat. De omstandigheid dat aanspraak bestaat op terugbetaling van
redeemablekapitaal of op intrekking van aandelen over een aantal jaren als het kapitaal er dan nog is, sluit immers geenszins uit dat dat kapitaal tot aan dat toekomstige moment risico draagt en totdien als garantie dient voor de vreemd-vermogensverstrekkers van de vennootschap. Onder het nieuwe flex-BV-recht kunnen overigens wellicht ook naar Nederlands vennootschapsrecht inmiddels
redeemable-achtige aandelen gecreëerd worden. Onder het oude BV-recht kon reeds vóór of bij de uitgifte van een bepaalde soort (voor de hand liggen cumpref) aandelen statutair bepaald worden dat zij intrekbaar zijn met terugbetaling. Weliswaar was – en lijkt nog steeds – een besluit tot kapitaalvermindering nodig van de algemene vergadering van aandeelhouders dat niet reeds bij voorbaat (reeds bij emissie) genomen kan worden, maar voor de BV is de verzetmogelijkheid voor crediteuren tegen dat besluit afgeschaft [16] en niet valt in te zien waarom geen aandeelhoudersovereenkomst gesloten zou kunnen worden strekkende tot het op een vast toekomstig tijdstip nemen van een intrekkingsbesluit met terugbetaling ter zake van een bepaalde soort tevoren als zodanig statutair aangeduide aandelen (mits met inachtneming van art. 2:208(6) juncto art. 2:216(2)-(4) BW: de opeisbare schulden moeten het toelaten). [17] Sommige auteurs betoogden overigens reeds onder het oude BV-recht dat statutair vooraf bepaalde intrekking - of emissie onder ontbindende voorwaarde - mogelijk zou zijn. [18] Koersrisico’s, vervolgens, zijn eenvoudig af te dekken met daarvoor geëigende financiële derivaten en zijn ook bij cumulatief-preferente aandelen met een in beginsel vast dividendpercentage niet of nauwelijks groter dan bij obligaties. Wat de vaste vergoeding betreft: ook op cumprefs kan - binnen de grenzen van art. 2:216 BW Pro [19] - een statutair bepaalde vaste vergoeding betaald worden die ook na verlies alsnog met voorrang boven gewone aandeelhouders uitbetaald wordt als er weer winst is of uit een toereikende winstreserve geput wordt, die althans niet winstafhankelijk is, maar eerder afhankelijk van reeds aanwezige winstreserves. Ook in casu wordt in geval van een “Tekort” het dividend geput uit een soort-winstreserve “voor zover toelaatbaar onder Nederlands recht” (zie onderdeel 20.7 van de oprichtingsakte van [G], geciteerd in 2.3 hierboven).
mismatchtussen Nederlands en buitenlands vennootschapsrecht of belastingrecht aan de orde kan zijn (en overigens ook nationaalrechtelijk geen sprake is van een
mismatch; integendeel: de partijen streven juist naar een fiscale
match: niet-belastbaarheid tegenover effectieve niet-aftrekbaarheid), doet zich slechts de tweede in 6.8 genoemde mogelijkheid tot fiscaal van het civiele recht afwijkende kwalificatie voor. Daarnaast bestaat de mogelijkheid dat zich een (complex van) schijnhandeling(en) heeft voorgedaan. De rechtbank heeft die fiscaal afwijkende kwalificatie gekozen; het Hof heeft het civiele en het belastingrecht bijeen gehouden door een (complex van) schijnhandeling(en) aanwezig te oordelen. Ik onderzoek eerst ’s Hofs motivering voor het oordeel ‘schijnhandeling’, die door de belanghebbende in middel (i) als onbegrijpelijk, althans onvoldoende gemotiveerd wordt bestreden.
7.Schijnhandeling? (middel (i))
simulatio) doet zich voor als de jegens derden gepresenteerde rechtshandeling bewust niet overeenkomt met hetgeen de partijen bij die rechtshandeling werkelijk beogen. Bij
simulatiobestaat
nietprecies dát zijn overeengekomen: minimalisering van het koersrisico; creatie van de mogelijkheid om na drie jaar de geldverstrekking te beëindigen; en een zo constant mogelijke vergoeding. Integendeel, zou ik zeggen. Deze gegevens evenmin dat zij vennootschappelijk iets anders zijn overeengekomen dan uitgifte van B-aandelen tegen storting door inbreng van aandelen [C], gevolgd door koop en verkoop van die B-aandelen. Een aandeelhouder kan heel wel zijn koersrisico beter afgedekt hebben dan een crediteur zijn debiteurenrisico, zonder om die reden vennootschapsrechtelijk als schijnaandeelhouder aangemerkt te hoeven worden; hij kan heel wel statutair een vastere vergoeding genieten dan een crediteur van een winstdelende lening zonder vennootschapsrechtelijk als schijnaandeelhouder aangemerkt te hoeven worden; aandelen kunnen heel wel feitelijk na bepaalde tijd
redeemablezijn of ingetrokken worden zonder vennootschapsrechtelijk hun kapitaalkarakter te verliezen (zie ook 6.9 hierboven en mijn conclusie in de zaak 12/03540);
8.Zelfstandige fiscale kwalificatie? (middel (ii))
fraus legisdoordat (i) voor fiscaalrechtelijke kwalificatie van de feiten mogelijk antifiscale bedoelingen niet ter zake doen; en (ii)
fraus legisverder gaat dan fiscale kwalificatie omdat zowel feiten als rechtshandelingen zowel genegeerd als gesubstitueerd kunnen worden. Juist omdat
fraus legisverder gaat, wordt de eis van antifiscale bedoelingen gesteld: alleen wie opzettelijk antifiscaal kaatst, moet de frauslegiaanse bal verwachten en dus niet klagen over aantasting van zijn rechtszekerheid en van het fiscale legaliteitsbeginsel. Zelfstandige fiscale kwalificatie van de feiten kan, andersom, ook in het
voordeelvan de belastingplichtige werken (zie bijvoorbeeld de
Prêt participatifzaak in 8.9 hieronder).
fraus legis, en zag evenmin grond voor fiscale kwalificatie in afwijking van de civiele kwalificatie van de feiten. U overwoog in abstracto:
verwachtingdat een bepaalde handeling verricht zou worden (aan de waarschijnlijkheid dat de betrokkenen uitgingen van het plaatsvinden van die handeling). De zaak betrof pensioenclaim-export door middel van verplaatsing van de feitelijke leiding van de pensioenvennootschap naar de Antillen, die gevolgd zou worden door het antifiscaal prijsgeven van pensioenaanspraken door de pensioengerechtigde, welke te verwachten prijsgeving echter op het moment van emigreren niet met zekerheid vast stond. U overwoog:
V-N2011/38.12):
Prêt participatif-arrest HR BNB 2006/82 [36] betrof, net als de thans bij u aanhangige zaak 12/03540, een
mismatchtussen twee soevereine rechtsstelsels bij de fiscale kwalificatie van de vergoeding op een geldverstrekking. De belanghebbende had een participerende lening verstrekt aan haar in Frankrijk gevestigde 99,99%-dochtervennootschap, de rentebetalingen waarop naar Frans belastingrecht aftrekbaar waren. In Nederland wenste de belanghebbende toepassing van de deelnemingsvrijstelling op de door haar ontvangen rente op grond van uw deelnemerschapsleningarrest HR BNB 1998/208. U kwalificeerde de winstdelende lening inderdaad fiscaalrechtelijk als eigen vermogen op grond van de economische kenmerken van de lening in het licht van de strekking van de deelnemingsvrijstelling:
mismatchestussen die twee regimes, zoals in het geciteerde
Prêt participatifarrest en in de aanhangige zaak over de Australische
Redeemable preference shareszaak.
mismatch. Integendeel; de partijen wensten juist een
feitelijke mismatch(geen aftrek bij de betaler, wel belasting bij de ontvanger) op te heffen door het ene fiscale regime (dat van de vreemd-vermogenfinanciering: aftrekbaarheid en belastbaarheid) volledig te verwisselen voor het andere (dat van de eigen-vermogenfinanciering: niet-aftrekbaarheid en niet-belastbaarheid). Niet in geschil is (dus) dat in casu geherfinancierd is om deze fiscale reden. Dat is echter voor zelfstandige fiscale kwalificatie niet relevant (wél voor toepassing van
fraus legis). Beoordeeld moet worden (zie 8.4) of de aan de civielrechtelijke kwalificatie van de rechtshandelingen verbonden fiscale gevolgen in casu onaanvaardbaar zijn op grond van het economische resultaat ervan in het licht van de strekking van de belastingwet.
mismatch, dus volledig) overstappen van het vreemd-vermogensregime naar het eigen-vermogensregime slechts dan de fiscale gevolgen van het fiscale eigen-vermogensregime kunnen worden onthouden als vanuit de fiscaalrechtelijke norm bezien in wezen niet van eigen vermogen kan worden gesproken. Dat geval doet zich, zoals bleek, mijns inziens pas voor als de geldverstrekker bij voortijdig faillissement van de vennootschap feitelijk of rechtens niet ná alle schuldeisers in de rij staat. Dat heeft de Rechtbank niet vastgesteld. Evenmin is sprake van een circulair samenstel van transacties waarbij de eindsituatie identiek is aan de beginsituatie: er is bepaald niet ‘niks gebeurd’.