ECLI:NL:PHR:2004:AO6210
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Verjaring en regresvordering van borg tegenover hoofdschuldenaar bij gemeentegarantie
In deze zaak staat centraal de regresvordering van de Gemeente als borg tegenover [Eiseres], de hoofdschuldenaar, na betaling van een hypothecaire schuld aan BLG. De Gemeente had de schuld voldaan en vorderde vervolgens betaling van het openstaande bedrag van [Eiseres].
De kern van het geschil betreft de toepasselijke verjaringstermijn van de regresvordering op grond van art. 1876 BW Pro (oud). De Gemeente stelde dat de twintigjarige termijn van art. 3:306 BW Pro van toepassing is, terwijl [Eiseres] betoogde dat de kortere vijfjarige termijn van art. 3:310 of Pro 3:307 BW geldt omdat het een vordering tot schadevergoeding of nakoming betreft. Het hof had de twintigjarige termijn toegepast en de vordering niet verjaard verklaard.
De Hoge Raad concludeert dat de regresvordering van de borg als een vordering tot schadevergoeding moet worden gekwalificeerd, waardoor de vijfjarige verjaringstermijn geldt. Tevens oordeelt de Hoge Raad dat het hof onvoldoende aandacht heeft besteed aan het verweer van de Gemeente dat het beroep op verjaring in strijd is met de redelijkheid en billijkheid. Daarom wordt het arrest vernietigd en verwezen voor verdere behandeling, waarbij ook de vraag van schuldvernieuwing aan de orde kan komen.
De uitspraak benadrukt de ruime strekking van het begrip schadevergoeding in art. 3:310 BW Pro en de noodzaak om verjaringstoepassing te toetsen aan redelijkheid en billijkheid, met name in regreszaken tussen borg en hoofdschuldenaar.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt verwezen voor verdere behandeling van de verjaring en het verweer van strijd met redelijkheid en billijkheid.