ECLI:NL:PHR:2004:AO2607
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Toepassing en motivering van ontnemingsmaatregel bij wederrechtelijk verkregen voordeel
In deze zaak staat de toepassing van artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht centraal, met name de motivering van de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel en de wijze waarop vorderingen van benadeelde derden in mindering worden gebracht. Het Hof had het voordeel per strafbaar feit geschat en per zaak de vorderingen van derden afgetrokken, wat door de Hoge Raad als een juiste methode wordt bevestigd.
De Hoge Raad bespreekt uitvoerig de uitgangspunten die het Hof hanteerde bij de berekening, waaronder het gebruik van het BFO-rapport en de toepassing van een ponds-pondsgewijze verdeling van het voordeel tussen medebestuurders. Tevens corrigeert de Hoge Raad een kennelijke misslag in de schatting van het voordeel in een specifieke zaak (zaak 33), waarbij een bedrag dat een openstaande schuld betrof ten onrechte als kosten was afgetrokken in plaats van als onderdeel van het voordeel.
Verder wordt benadrukt dat de rechter een hogere schatting van het voordeel dan het OM kan maken mits dit voldoende wordt gemotiveerd, en dat de keuze van de verrekeningsmethode van vorderingen van derden aan de feitenrechter is voorbehouden, tenzij deze onbegrijpelijk is. Ten slotte vernietigt de Hoge Raad het bestreden arrest voor zover vervangende hechtenis is opgelegd, vanwege de toepassing van artikel 577c Sv.
Uitkomst: De Hoge Raad stelt het ontnemingsbedrag vast op € 113.497,76 en vernietigt het arrest voor zover vervangende hechtenis is opgelegd.