ECLI:NL:PHR:2013:CA3307
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling verrekening vorderingen benadeelde derden bij ontnemingsmaatregel
In deze zaak staat de uitleg van art. 36e, achtste lid, Wetboek van Strafrecht centraal, betreffende de verrekening van in rechte toegekende vorderingen van benadeelde derden bij de bepaling van het wederrechtelijk verkregen voordeel. Het Gerechtshof Arnhem had de vorderingen van benadeelde partijen integraal in mindering gebracht op het totaal geschatte voordeel, wat leidde tot een nihil ontnemingsbedrag.
Het Openbaar Ministerie stelde cassatie in tegen deze methode en voerde aan dat de verrekening per afzonderlijk strafbaar feit moet plaatsvinden, waarbij de vordering slechts tot het corresponderende voordeel mag worden afgetrokken. De Hoge Raad bevestigt dat beide methoden binnen de wettelijke kaders mogelijk zijn, mits geen partij onrecht wordt aangedaan en de ratio van art. 36e Sr wordt gerespecteerd.
De Hoge Raad benadrukt dat het belang van de benadeelde derden en de veroordeelde voorop staan en dat de Staat geen preferente positie inneemt. De keuze van verrekenmethode is aan de feitenrechter en wordt in cassatie slechts getoetst op begrijpelijkheid. Het beroep wordt verworpen omdat het hof geen onjuiste rechtsopvatting heeft gehanteerd.
Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt verworpen; het hof heeft geen onjuiste rechtsopvatting gehanteerd over de verrekening van vorderingen van benadeelde derden.