Uitspraak
1.Procesverloop
.
2.Feiten
3.Geschil in hoger beroep
4.Het oordeel van het Gerecht
Wettelijk kader
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
De zaak betreft het hoger beroep van de Inspecteur der belastingen tegen de vernietiging van een aanslag successiebelasting opgelegd aan belanghebbende inzake de nalatenschap van een op 10 april 2015 overleden erflater. De aanslag werd opgelegd in december 2020, nadat de landsverordening successiebelasting (LvSB) per 1 juli 2018 was ingetrokken.
Het Gerecht in eerste aanleg oordeelde dat de aanslag niet rechtsgeldig was omdat de wettelijke grondslag ontbrak na intrekking van de LvSB. Het Hof bevestigt dit oordeel en wijst op het legaliteitsbeginsel: voor het opleggen van een aanslag moet een geldige wettelijke grondslag bestaan op het moment van oplegging.
De Inspecteur stelde dat er geen overgangsregeling nodig was en dat de aanslag terecht was opgelegd omdat het belastbare feit zich vóór 1 juli 2018 had voorgedaan. Het Hof verwierp deze argumenten en verwees naar jurisprudentie waarin is bepaald dat intrekking zonder overgangsregeling onmiddellijke werking heeft, waardoor aanslagen na intrekking niet rechtsgeldig kunnen zijn.
Het Hof veroordeelt de Inspecteur tot vergoeding van de proceskosten en bevestigt de vernietiging van de aanslag. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het hoger beroep van de Inspecteur wordt ongegrond verklaard en de aanslag successiebelasting wordt vernietigd.