In deze zaak stond centraal of een aanslag afvalstoffenheffing voor het jaar 2013 terecht was opgelegd aan belanghebbende door de gemeente Rijnwaarden. De aanslag was gebaseerd op de Verordening afvalstoffenheffing 2013, die echter vóór het opleggen van de aanslag was ingetrokken zonder dat een overgangsregeling was getroffen.
Het Hof Arnhem-Leeuwarden oordeelde dat de intrekking van de verordening per 1 januari 2014 zonder overgangsrecht betekende dat de aanslag niet meer kon worden opgelegd omdat de wettelijke grondslag ontbrak. De Hoge Raad bevestigde dit oordeel en stelde dat een aanslag slechts rechtsgeldig kan worden opgelegd indien een verordening die aanslag bij wege van aanslag toestaat en op het moment van opleggen van kracht is.
De Hoge Raad benadrukte dat de termijn van drie jaar voor het opleggen van aanslagen uit artikel 11, lid 3, AWR, niet afdoet aan het vereiste van een geldige wettelijke grondslag op het moment van opleggen. Omdat de verordening was ingetrokken zonder overgangsrecht, was deze grondslag afwezig en was de aanslag onrechtmatig.
De Hoge Raad verklaarde het beroep in cassatie ongegrond en wees het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Rijnwaarden een griffierecht op. Hiermee is bevestigd dat intrekking van een verordening zonder overgangsrecht directe gevolgen heeft voor de heffingsbevoegdheid.