2.1.1 De Rechtbank heeft bij uitspraak van 24 september 2021 het beroep van belanghebbende, gericht tegen de uitspraken op bezwaar betreffende een aan hem opgelegde naheffingsaanslag in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen en de daarbij gegeven beschikking inzake belastingrente, ongegrond verklaard.
2.1.2 Omdat de Rechtbank op de datum van wijzen van haar uitspraak de redelijke termijn die geldt voor de behandeling van het beroep, had overschreden, heeft de Rechtbank de Inspecteur en de Staat veroordeeld tot het aan belanghebbende betalen van een vergoeding van immateriële schade en in verband daarmee ook tot vergoeding van de kosten van beroepsmatig verleende rechtsbijstand voor de beroepsfase.
Aangezien uitsluitend recht op proceskostenvergoeding bestaat in verband met het toekennen van deze immateriële schadevergoeding, heeft de Rechtbank een wegingsfactor van 0,5 aangewezen geacht. De Rechtbank heeft de vergoeding op de voet van artikel 2, lid 1, letter a, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (tekst 2021), in samenhang gelezen met punten 1 en 13 van onderdeel A1 en punt 1 van onderdeel B1 van de bijlage bij dat besluit, vastgesteld op € 534, uitgaande van twee punten (indienen van het beroepschrift en verschijnen ter zitting), wegingsfactor 0,5 en een waarde per punt van € 534.
2.2.1 Belanghebbende heeft bij het Hof geklaagd over de hoogte van de hiervoor in 2.1.2 vermelde vergoeding. Hij stelde – onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 27 mei 2022, ECLI:NL:HR:2022:752 (hierna: het arrest van 27 mei 2022) – dat de Rechtbank bij de berekening had moeten uitgaan van een waarde per punt van € 759 als vermeld in punt 2 van onderdeel B1 van de bijlage bij het Besluit proceskosten bestuursrecht (tekst 2022). Belanghebbende verzocht ter zitting van het Hof op 14 maart 2024 om die vergoeding te berekenen naar de waarde per punt van € 875 als vermeld in punt 2 van onderdeel B1 van de bijlage bij het Besluit proceskosten bestuursrecht (tekst 2024). 2.2.2 Het Hof heeft bij uitspraak van 27 maart 2024 geoordeeld dat de Rechtbank, gelet op het arrest van 27 mei 2022, inderdaad is uitgegaan van het verkeerde bedrag per punt en dat het om die reden de proceskostenvergoeding opnieuw zal vaststellen.
2.2.3 Het Hof stelde vast dat de enige reden voor toekenning van de proceskostenvergoeding voor het beroep was gelegen in het feit dat de redelijke termijn was overschreden en dat om die reden de Inspecteur en de Staat werden veroordeeld tot vergoeding van immateriële schade, terwijl het beroep van belanghebbende ongegrond was. Hiervan uitgaande en gelet op het arrest van de Hoge Raad van 10 november 2023, ECLI:NL:HR:2023:1526 (hierna: het arrest van 10 november 2023), heeft het Hof de aan belanghebbende toe te kennen proceskostenvergoeding op de voet van artikel 2, lid 1, letter a, van het Besluit proceskosten bestuursrecht en de daarbij behorende bijlage (tekst 2024) vastgesteld op € 218,75, uitgaande van 1 punt, wegingsfactor 0,25 en een waarde per punt van € 875. Dit betekent dat de door de Rechtbank vastgestelde vergoeding niet te laag is vastgesteld, aldus het Hof. 2.2.4 Het Hof heeft het hoger beroep ongegrond verklaard. In de omstandigheid dat het Hof een vergoeding van immateriële schade heeft toegekend wegens de aan het Hof toe te rekenen overschrijding van de redelijke termijn voor de fase van hoger beroep, heeft het Hof aanleiding gezien de Staat te veroordelen tot vergoeding van de kosten voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand voor het hoger beroep. Deze vergoeding heeft het Hof, onder verwijzing naar het arrest van 10 november 2023, vastgesteld op € 218,75, uitgaande van 1 punt, wegingsfactor 0,25 en een waarde per punt van € 875.