ECLI:NL:HR:2026:92

Hoge Raad

Datum uitspraak
23 januari 2026
Publicatiedatum
22 januari 2026
Zaaknummer
24/01836
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Cassatie over proceskostenvergoeding in belastingzaken en overschrijding van de redelijke termijn

In deze zaak heeft de Hoge Raad op 23 januari 2026 uitspraak gedaan in een cassatieprocedure over de proceskostenvergoeding in belastingzaken. De zaak betreft een beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën en de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid) tegen een uitspraak van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch. De belanghebbende had een naheffingsaanslag in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen ontvangen, waartegen hij bezwaar had aangetekend. De Rechtbank had het beroep van de belanghebbende ongegrond verklaard, maar had wel een vergoeding voor immateriële schade en proceskosten toegekend vanwege overschrijding van de redelijke termijn. De Hoge Raad oordeelde dat het Gerechtshof de proceskostenvergoeding opnieuw moest vaststellen, maar dat het Hof daarbij niet vrij was om de door de Rechtbank vastgestelde wegingsfactor en het aantal proceshandelingen te verlagen zonder dat daarover was geklaagd. De Hoge Raad heeft de vergoeding voor de beroepsfase vastgesteld op € 934 en voor de hoger beroep fase op € 1.868, waarbij de waarde per punt en wegingsfactor zijn aangepast aan de omstandigheden van de zaak. De Hoge Raad heeft de Staat veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie en heeft de verdere beslissing aangehouden totdat nadere gegevens zijn verstrekt over de kosten van de cassatieprocedure.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer24/01836
Datum23 januari 2026
ARREST
in de zaak van
[X] (hierna: belanghebbende)
tegen
1. de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN
2. de STAAT (de MINISTER VAN JUSTITIE EN VEILIGHEID)
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch van 27 maart 2024, nr. 23/00147 [1] , op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant (nr. BRE 19/2160) betreffende een aan belanghebbende opgelegde naheffingsaanslag in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen en de daarbij geven beschikking inzake belastingrente.

1.Geding in cassatie

Belanghebbende, vertegenwoordigd door A.F.M.J. Verhoeven , heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Zowel de Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P1], als de Minister van Justitie en Veiligheid, vertegenwoordigd door [P2], heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft op het verweerschrift van de Staatssecretaris bij conclusie van repliek gereageerd.

2.Uitgangspunten in cassatie

2.1.1 De Rechtbank heeft bij uitspraak van 24 september 2021 het beroep van belanghebbende, gericht tegen de uitspraken op bezwaar betreffende een aan hem opgelegde naheffingsaanslag in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen en de daarbij gegeven beschikking inzake belastingrente, ongegrond verklaard.
2.1.2 Omdat de Rechtbank op de datum van wijzen van haar uitspraak de redelijke termijn die geldt voor de behandeling van het beroep, had overschreden, heeft de Rechtbank de Inspecteur en de Staat veroordeeld tot het aan belanghebbende betalen van een vergoeding van immateriële schade en in verband daarmee ook tot vergoeding van de kosten van beroepsmatig verleende rechtsbijstand voor de beroepsfase.
Aangezien uitsluitend recht op proceskostenvergoeding bestaat in verband met het toekennen van deze immateriële schadevergoeding, heeft de Rechtbank een wegingsfactor van 0,5 aangewezen geacht. De Rechtbank heeft de vergoeding op de voet van artikel 2, lid 1, letter a, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (tekst 2021), in samenhang gelezen met punten 1 en 13 van onderdeel A1 en punt 1 van onderdeel B1 van de bijlage bij dat besluit, vastgesteld op € 534, uitgaande van twee punten (indienen van het beroepschrift en verschijnen ter zitting), wegingsfactor 0,5 en een waarde per punt van € 534.
2.2.1 Belanghebbende heeft bij het Hof geklaagd over de hoogte van de hiervoor in 2.1.2 vermelde vergoeding. Hij stelde – onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 27 mei 2022, ECLI:NL:HR:2022:752 (hierna: het arrest van 27 mei 2022) – dat de Rechtbank bij de berekening had moeten uitgaan van een waarde per punt van € 759 als vermeld in punt 2 van onderdeel B1 van de bijlage bij het Besluit proceskosten bestuursrecht (tekst 2022). Belanghebbende verzocht ter zitting van het Hof op 14 maart 2024 om die vergoeding te berekenen naar de waarde per punt van € 875 als vermeld in punt 2 van onderdeel B1 van de bijlage bij het Besluit proceskosten bestuursrecht (tekst 2024).
2.2.2 Het Hof heeft bij uitspraak van 27 maart 2024 geoordeeld dat de Rechtbank, gelet op het arrest van 27 mei 2022, inderdaad is uitgegaan van het verkeerde bedrag per punt en dat het om die reden de proceskostenvergoeding opnieuw zal vaststellen.
2.2.3 Het Hof stelde vast dat de enige reden voor toekenning van de proceskostenvergoeding voor het beroep was gelegen in het feit dat de redelijke termijn was overschreden en dat om die reden de Inspecteur en de Staat werden veroordeeld tot vergoeding van immateriële schade, terwijl het beroep van belanghebbende ongegrond was. Hiervan uitgaande en gelet op het arrest van de Hoge Raad van 10 november 2023, ECLI:NL:HR:2023:1526 (hierna: het arrest van 10 november 2023), heeft het Hof de aan belanghebbende toe te kennen proceskostenvergoeding op de voet van artikel 2, lid 1, letter a, van het Besluit proceskosten bestuursrecht en de daarbij behorende bijlage (tekst 2024) vastgesteld op € 218,75, uitgaande van 1 punt, wegingsfactor 0,25 en een waarde per punt van € 875. Dit betekent dat de door de Rechtbank vastgestelde vergoeding niet te laag is vastgesteld, aldus het Hof.
2.2.4 Het Hof heeft het hoger beroep ongegrond verklaard. In de omstandigheid dat het Hof een vergoeding van immateriële schade heeft toegekend wegens de aan het Hof toe te rekenen overschrijding van de redelijke termijn voor de fase van hoger beroep, heeft het Hof aanleiding gezien de Staat te veroordelen tot vergoeding van de kosten voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand voor het hoger beroep. Deze vergoeding heeft het Hof, onder verwijzing naar het arrest van 10 november 2023, vastgesteld op € 218,75, uitgaande van 1 punt, wegingsfactor 0,25 en een waarde per punt van € 875.

3.Beoordeling van de middelen

3.1
De Hoge Raad heeft de klachten van de middelen I en II over de uitspraak van het Hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie).
3.2
Middel III bestrijdt de hiervoor in 2.2.3 weergegeven oordelen van het Hof. Volgens het middel had het Hof moeten uitgaan van 2 punten en had het Hof ten minste wegingsfactor 0,5 moeten hanteren.
3.3
Middel III slaagt. Voor zover het hoger beroep van belanghebbende de door de Rechtbank toegekende proceskostenvergoeding voor de beroepsfase betrof, werd enkel de toegepaste waarde per punt van € 534 bestreden. De Staat en de Inspecteur hebben in hoger beroep die waarde niet bestreden en hebben evenmin gesteld dat bij toepassing van een hogere waarde per punt dan € 534, het Hof de met inachtneming van die hogere waarde per punt opnieuw vast te stellen vergoeding zou moeten matigen. Het stond het Hof daarom niet vrij om bij het – met inachtneming van de juiste waarde per punt – opnieuw vaststellen van die vergoeding, die vergoeding in het nadeel van de belanghebbende te wijzigen door ambtshalve het door de Rechtbank vastgestelde aantal punten en de wegingsfactor van de zaak te verlagen. [2] Aan het voorgaande kan niet afdoen dat de Hoge Raad in het arrest van 10 november 2023 heeft beslist dat hij voortaan in zaken waarin het beroep in cassatie ongegrond wordt verklaard en een proceskostenvergoeding wordt toegekend wegens overschrijding van de redelijke termijn in de cassatiefase, tot uitgangspunt neemt dat een verzoek om schadevergoeding een proceshandeling is waaraan 1 punt wordt toegekend, en op een dergelijk verzoek wegingsfactor 0,25 van toepassing is.
3.4
Het slagen van middel III brengt mee dat middel IV, gericht tegen de hiervoor in 2.2.4 weergegeven beslissingen van het Hof, slaagt vanwege het ontvallen van de gronden waarop het Hof de proceskostenvergoeding voor het hoger beroep heeft gebaseerd.
3.5.1
Gelet op hetgeen hiervoor in 3.3 en 3.4 is overwogen, kan de uitspraak van het Hof niet in stand blijven. De Hoge Raad kan de zaak afdoen.
3.5.2
De Hoge Raad stelt de vergoeding van de door belanghebbende gemaakte kosten voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand voor de fase van beroep vast op € 934, uitgaande van het door de Rechtbank vastgestelde aantal punten en wegingsfactor 0,5 vanwege het gewicht van de zaak, en berekend naar de waarde per punt zoals deze ten tijde van het wijzen van dit arrest geldt. [3]
3.5.3
De Hoge Raad stelt de vergoeding van de door belanghebbende gemaakte kosten voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand voor de fase van hoger beroep vast op € 1.868, uitgaande van 2 punten (beroepschrift en verschijnen ter zitting) en wegingsfactor 1 vanwege het gewicht van de zaak, en berekend naar de waarde per punt zoals deze ten tijde van het wijzen van dit arrest geldt. [4]

4.Proceskosten

De Staat zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie, uitgaande van 1 punt (beroepschrift in cassatie) en wegingsfactor 1. Met betrekking tot de hoogte van deze vergoeding overweegt de Hoge Raad in onderdeel 5 als volgt.

5.Nader feitenonderzoek door de Hoge Raad

5.1
Aangezien de uitspraak van het Hof is bekendgemaakt in 2024, moet voor de hoogte van de vergoeding van proceskosten ter zake van deze cassatieprocedure acht worden geslagen op de Wet herwaardering proceskostenvergoedingen WOZ en bpm, [5] gelet op het bepaalde in artikel IV van die wet. Gelet op hetgeen de Hoge Raad in onderdeel 3 van zijn arrest van 17 januari 2025, ECLI:NL:HR:2025:46 (hierna: het arrest van 17 januari 2025), heeft overwogen, moet worden beoordeeld of het geval van belanghebbende met het oog op die proceskostenvergoeding is aan te merken als een bijzonder geval als bedoeld in rechtsoverweging 3.5.2 van het arrest van 17 januari 2025.
5.2
De Hoge Raad is in dit stadium van het geding niet in staat een beslissing te nemen over de hoogte van de vergoeding van kosten voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand in deze cassatieprocedure. De stukken van het geding bieden namelijk onvoldoende aanknopingspunten om de hiervoor in 5.1 bedoelde beoordeling te maken.
5.3
Aangezien het arrest van 17 januari 2025 is gewezen nadat belanghebbende beroep in cassatie had ingesteld, hoefde belanghebbende niet bedacht te zijn op de in de rechtsoverwegingen 3.5.1 en 3.5.2 van dat arrest geformuleerde regels. Daarom zal de Hoge Raad, die hier als feitenrechter optreedt, alvorens een beslissing te nemen over de omvang van de vergoeding van de kosten van de cassatieprocedure, belanghebbende in de gelegenheid stellen om nadere gegevens te verstrekken ter voldoening aan de op dit punt op belanghebbende rustende bewijslast. De Staat zal daarna in de gelegenheid worden gesteld daarop schriftelijk te reageren.

6.Beslissing

De Hoge Raad houdt elke verdere beslissing aan totdat de hiervoor in 5.3 beschreven procedure is gevolgd.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.E. van Hilten als voorzitter, en de raadsheren E.N. Punt en M.A. Fierstra, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 23 januari 2026.

Voetnoten

2.Vgl. HR 14 februari 2025, ECLI:NL:HR:2025:243, rechtsoverweging 3.3.2, en HR 25 april 2025, ECLI:NL:HR:2025:673, rechtsoverweging 3.2.
3.Vgl. HR 17 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1203, rechtsoverweging 2.3.
4.Vgl. HR 17 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1203, rechtsoverweging 2.3.
5.Wet van 20 december 2023 tot wijziging van de Wet waardering onroerende zaken en de Wet op de belasting van personenauto's en motorrijwielen 1992 in verband met het herwaarderen van de proceskostenvergoeding en vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn (Wet herwaardering proceskostenvergoedingen WOZ en bpm), Stb. 2023, 507.