ECLI:NL:HR:2026:88

Hoge Raad

Datum uitspraak
23 januari 2026
Publicatiedatum
22 januari 2026
Zaaknummer
24/00878
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Cassatie over proceskostenvergoeding in belastingzaken en de toepassing van wegingsfactoren

In deze zaak heeft de Hoge Raad op 23 januari 2026 uitspraak gedaan in een cassatieprocedure over de vergoeding van proceskosten in belastingzaken. De zaak betreft een beroep in cassatie van [X] B.V. tegen een uitspraak van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch, die op 31 januari 2024 werd gedaan. De belanghebbende had een naheffingsaanslag in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen ontvangen, waartegen zij bezwaar had aangetekend. De Rechtbank Zeeland-West-Brabant verklaarde het beroep van belanghebbende ongegrond, maar veroordeelde de Staat tot vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. De Hoge Raad oordeelde dat de Rechtbank de vergoeding van proceskosten op basis van een wegingsfactor van 0,5 had vastgesteld, maar dat het Hof dit had verlaagd naar 0,25. De Hoge Raad oordeelde dat het Hof niet had mogen afwijken van de door de Rechtbank vastgestelde wegingsfactor en dat de vergoeding van proceskosten opnieuw moest worden vastgesteld. De Hoge Raad heeft de vergoeding van de kosten voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 934, rekening houdend met het aantal punten en de wegingsfactor. De Hoge Raad heeft de verdere beslissing aangehouden totdat belanghebbende nadere gegevens kan verstrekken over de kosten van de cassatieprocedure.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer24/00878
Datum23 januari 2026
ARREST
in de zaak van
[X] B.V. (hierna: belanghebbende)
tegen
1. de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN
2. de STAAT (de MINISTER VAN JUSTITIE EN VEILIGHEID)
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch van 31 januari 2024, nr. 22/00993 [1] , op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant (nr. BRE 20/8342) betreffende een aan belanghebbende opgelegde naheffingsaanslag in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen en de daarbij geven beschikking inzake belastingrente.

1.Geding in cassatie

Belanghebbende, vertegenwoordigd door H. van Dam, heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Zowel de Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P1] , als de Minister van Justitie en Veiligheid, vertegenwoordigd door [P2], heeft een verweerschrift ingediend.

2.Uitgangspunten in cassatie

2.1.1 De Rechtbank heeft bij uitspraak van 29 maart 2022 het beroep van belanghebbende, gericht tegen de uitspraken op bezwaar betreffende een aan haar opgelegde naheffingsaanslag in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen en de daarbij gegeven beschikking inzake belastingrente, ongegrond verklaard.
2.1.2 Omdat de redelijke termijn die geldt voor de behandeling van het beroep was overschreden op de datum waarop de Rechtbank haar uitspraak deed, heeft de Rechtbank de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid) veroordeeld tot vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende en, in verband daarmee, ook tot vergoeding van de kosten van beroepsmatig verleende rechtsbijstand voor de beroepsfase.
Omdat uitsluitend een vergoeding van proceskosten wordt toegekend in verband met het honoreren van het door belanghebbende gedane verzoek om vergoeding van immateriële schade, heeft de Rechtbank een wegingsfactor van 0,5 als bedoeld in onderdeel C1 van de bijlage bij het Besluit proceskosten bestuursrecht (tekst 2022) aangewezen geacht.
De Rechtbank heeft de vergoeding van proceskosten op de voet van artikel 2, lid 1, letter a, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (tekst 2022), in samenhang gelezen met punten 1 en 13 van onderdeel A1 en punt 1 van onderdeel B1 van de bijlage bij dat besluit, vastgesteld op € 541, uitgaande van twee punten (indienen van het beroepschrift en verschijnen ter zitting), wegingsfactor 0,5 en een waarde per punt van € 541.
2.2.1 Belanghebbende heeft bij het Hof geklaagd over de hoogte van de hiervoor in 2.1.2 vermelde vergoeding. Zij stelde zich – onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 27 mei 2022, ECLI:NL:HR:2022:752 (hierna: het arrest van 27 mei 2022) – op het standpunt dat de Rechtbank bij de berekening van de proceskostenvergoeding had moeten uitgaan van een waarde per punt van € 759 als vermeld in punt 2 van onderdeel B1 van de bijlage bij het Besluit proceskosten bestuursrecht (tekst 2022).
2.2.2 Het Hof heeft bij uitspraak van 31 januari 2024 geoordeeld dat de Rechtbank, gelet op het arrest van 27 mei 2022, inderdaad is uitgegaan van het verkeerde bedrag per punt en dat het om die reden de proceskostenvergoeding opnieuw zal vaststellen.
2.2.3 Het Hof stelde vast dat de enige reden voor toekenning van de proceskostenvergoeding was gelegen in het feit dat de redelijke termijn was overschreden en dat om die reden de Staat is veroordeeld tot vergoeding van immateriële schade, terwijl het beroep van belanghebbende ongegrond was. Hiervan uitgaande en gelet op het arrest van de Hoge Raad van 10 november 2023, ECLI:NL:HR:2023:1526 (hierna: het arrest van 10 november 2023), heeft het Hof de aan belanghebbende toe te kennen proceskostenvergoeding op de voet van artikel 2, lid 1, letter a, van het Besluit proceskosten bestuursrecht en de daarbij behorende bijlage (tekst 2024) vastgesteld op € 218
,75, uitgaande van 1 punt, wegingsfactor 0,25 en een waarde per punt van € 875. Dit betekent dat de door de Rechtbank vastgestelde vergoeding niet te laag is vastgesteld, aldus het Hof.
2.2.4 Het Hof heeft de uitspraak van de Rechtbank bevestigd en geoordeeld dat er wat betreft het hoger beroep geen redenen zijn voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 Awb.

3.Beoordeling van de middelen

3.1
Middel 4 bestrijdt de hiervoor in 2.2.3 weergegeven oordelen van het Hof dat de vergoeding van proceskosten voor de fase van beroep moet worden berekend uitgaande van 1 punt en een wegingsfactor 0,25. Volgens het middel had het Hof moeten uitgaan van twee punten zoals de Rechtbank heeft gedaan, en had het Hof ten minste wegingsfactor 0,5 moeten hanteren.
3.2
Middel 4 slaagt voor zover het aanvoert dat het Hof niet had mogen uitgaan van 1 punt en dat het Hof de door de Rechtbank toegepaste wegingsfactor 0,5 niet had mogen verlagen tot 0,25. Voor zover het hoger beroep van belanghebbende de door de Rechtbank toegekende proceskosten voor de beroepsfase betrof, werd enkel de toegepaste waarde per punt van € 541 bestreden. De Staat heeft in hoger beroep die waarde niet bestreden en heeft evenmin gesteld dat bij toepassing van een hogere waarde per punt dan € 541, het Hof de met inachtneming van die hogere waarde per punt opnieuw vast te stellen proceskostenvergoeding zou moeten matigen. Het stond het Hof daarom niet vrij om bij het – met inachtneming van de juiste waarde per punt – opnieuw vaststellen van die vergoeding, deze in het nadeel van de belanghebbende te wijzigen door ambtshalve het door de Rechtbank vastgestelde aantal punten en de wegingsfactor van de zaak te verlagen. [2] Aan het voorgaande kan niet afdoen dat de Hoge Raad in het arrest van 10 november 2023 heeft beslist dat hij voortaan in zaken waarin het beroep in cassatie ongegrond wordt verklaard en een proceskostenvergoeding wordt toegekend wegens overschrijding van de redelijke termijn in de cassatiefase, tot uitgangspunt neemt dat een verzoek om schadevergoeding een proceshandeling is waaraan 1 punt wordt toegekend, en op een dergelijk verzoek wegingsfactor 0,25 van toepassing is.
3.3
De Hoge Raad heeft ook de overige klachten over de uitspraak van het Hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie).
3.4.1
Gelet op hetgeen hiervoor in 3.2 is overwogen, kan de uitspraak van het Hof niet in stand blijven. De Hoge Raad kan de zaak afdoen.
3.4.2
De Hoge Raad stelt de vergoeding van de door belanghebbende gemaakte kosten voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand voor de fase van beroep vast op € 934, uitgaande van het door de Rechtbank vastgestelde aantal punten en wegingsfactor 0,5 vanwege het gewicht van de zaak, en berekend naar de waarde per punt zoals deze ten tijde van het wijzen van dit arrest geldt. [3]

4.Proceskosten

4.1
De Staat zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie. De Hoge Raad zal hierna in onderdeel 5 nader overwegen over de hoogte van deze vergoeding.
4.2
De Staat zal worden veroordeeld in de kosten van het geding voor het Hof, bestaande uit kosten van beroepsmatig verleende rechtsbijstand. De vergoeding van deze kosten stelt de Hoge Raad op de voet van artikel 2, lid 1, letter a, van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 1.868, uitgaande van twee punten (beroepschrift en verschijnen zitting) en wegingsfactor 1 vanwege het gewicht van de zaak, en berekend naar de waarde per punt die is neergelegd in de bijlage bij dat besluit zoals deze geldt ten tijde van het wijzen van dit arrest (€ 934). [4] Ook dient aan belanghebbende het door haar betaalde griffierecht voor het geding voor het Hof te worden vergoed.

5.Nader feitenonderzoek door de Hoge Raad

5.1
Aangezien de uitspraak van het Hof is bekendgemaakt in 2024, moet voor de hoogte van de vergoeding van proceskosten ter zake van deze cassatieprocedure acht worden geslagen op de Wet herwaardering proceskostenvergoedingen WOZ en bpm, [5] gelet op het bepaalde in artikel IV van die wet. Gelet op hetgeen de Hoge Raad in onderdeel 3 van zijn arrest van 17 januari 2025, ECLI:NL:HR:2025:46 (hierna: het arrest van 17 januari 2025), heeft overwogen, moet worden beoordeeld of het geval van belanghebbende met het oog op die proceskostenvergoeding is aan te merken als een bijzonder geval als bedoeld in rechtsoverweging 3.5.2 van het arrest van 17 januari 2025.
5.2
De Hoge Raad is in dit stadium van het geding niet in staat een beslissing te nemen over de hoogte van de vergoeding van kosten voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand in deze cassatieprocedure. De stukken van het geding bieden namelijk onvoldoende aanknopingspunten om de hiervoor in 5.1 bedoelde beoordeling te maken.
5.3
Aangezien het arrest van 17 januari 2025 is gewezen nadat belanghebbende beroep in cassatie had ingesteld, hoefde belanghebbende niet bedacht te zijn op de in de rechtsoverwegingen 3.5.1 en 3.5.2 van dat arrest geformuleerde regels. Daarom zal de Hoge Raad, die hier als feitenrechter optreedt, alvorens een beslissing te nemen over de omvang van de vergoeding van de kosten van de cassatieprocedure, belanghebbende in de gelegenheid stellen om nadere gegevens te verstrekken ter voldoening aan de op dit punt op belanghebbende rustende bewijslast. De Staat zal daarna in de gelegenheid worden gesteld daarop schriftelijk te reageren.

6.Beslissing

De Hoge Raad houdt elke verdere beslissing aan totdat de hiervoor in 5.3 beschreven procedure is gevolgd.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.E. van Hilten als voorzitter, en de raadsheren E.N. Punt en M.A. Fierstra, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 23 januari 2026.

Voetnoten

2.Vgl. HR 14 februari 2025, ECLI:NL:HR:2025:243, rechtsoverweging 3.3.2, en HR 25 april 2025, ECLI:NL:HR:2025:673, rechtsoverweging 3.2.
3.Vgl. HR 17 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1203, rechtsoverweging 2.3.
4.Vgl. HR 17 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1203, rechtsoverweging 2.3.
5.Wet van 20 december 2023 tot wijziging van de Wet waardering onroerende zaken en de Wet op de belasting van personenauto's en motorrijwielen 1992 in verband met het herwaarderen van de proceskostenvergoeding en vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn (Wet herwaardering proceskostenvergoedingen WOZ en bpm), Stb. 2023, 507.