Uitspraak
1.Geding in cassatie
Belanghebbende, vertegenwoordigd door C. van Oosten, heeft een verweerschrift ingediend. Zij heeft ook incidenteel beroep in cassatie ingesteld.
Het beroepschrift in cassatie en het geschrift waarbij incidenteel beroep in cassatie is ingesteld, zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.
De Minister van Justitie en Veiligheid heeft schriftelijk gereageerd op het hiervoor bedoelde verzoek en zich gerefereerd aan het oordeel van de Hoge Raad.
3.Uitgangspunten in cassatie
Belanghebbende heeft verzocht om toepassing van een preferentieel tarief van douanerechten (0 procent) in het kader van het zogenoemde stelsel van algemene preferenties. In de douaneaangifte is vermeld dat de bevestigingsmiddelen van oorsprong uit Indonesië zijn. Ten bewijze dat de bevestigingsmiddelen de voor het preferentiële tarief vereiste oorsprong Indonesië hebben, heeft belanghebbende een certificaat van oorsprong, formulier A, overgelegd. De bevestigingsmiddelen zijn door de Douane vrijgegeven met toepassing van het gevraagde preferentiële tarief van douanerechten.
Omdat uit het onderzoek van OLAF is gebleken dat de niet-preferentiële oorsprong van de bevestigingsmiddelen China is en voor dergelijke goederen op grond van Vo. 91/2009 een antidumpingmaatregel geldt, heeft de Inspecteur zich verder op het standpunt gesteld dat belanghebbende antidumpingrechten is verschuldigd naar het tarief van 85 procent, eveneens te berekenen over de douanewaarde van de bevestigingsmiddelen.
De Inspecteur heeft vervolgens onderzocht wat de douanewaarde van de bevestigingsmiddelen is.
Ondanks de vermelding van de leveringsvoorwaarde DDP die volgens belanghebbende meebrengt dat de bij invoer in de Gemeenschap te betalen bedragen aan rechten bij invoer worden geacht te zijn begrepen in de koopprijs, heeft de Inspecteur niet de voor de bevestigingsmiddelen te betalen rechten bij invoer als van de met de Indonesische onderneming overeengekomen koopprijs te onderscheiden elementen in mindering willen brengen op die koopprijs en aldus buiten de douanewaarde houden. Het niet toepassen van artikel 33, aanhef en letter f, van het Communautair douanewetboek (hierna: het CDW), in samenhang gelezen met artikel 29 van het CDW, heeft de Inspecteur erop gegrond dat de leveringsvoorwaarde DDP niet van toepassing kan zijn omdat de hiervoor in 3.1 bedoelde douaneaangifte op naam en voor rekening van belanghebbende is gedaan. Bovendien zou de prijs van de bevestigingsmiddelen volgens de Inspecteur onwerkelijk laag worden als het douanerecht en het antidumpingrecht daarop nog in mindering moeten worden gebracht.
De Inspecteur heeft blijkens deze beschikking de verwerping van de transactiewaardemethode erop gegrond dat de leveringsvoorwaarde DDP niet van toepassing kan zijn. De hiervoor in 3.1 bedoelde douaneaangifte is op naam en voor rekening van belanghebbende gedaan, waardoor de douane navordering van meer verschuldigde rechten niet aan de verkoper of diens vertegenwoordiger kan mededelen. Volgens de Inspecteur heeft de koper bij het overeenkomen van de leveringsvoorwaarde DDP niets van doen met de douane. Uit hetgeen belanghebbende aan gegevens en documenten tijdens de in artikel 140 van de UDWU bedoelde procedure heeft verstrekt, heeft de Inspecteur opgemaakt dat de Indonesische onderneming niet de intentie heeft gehad de betaling van rechten bij invoer op zich te nemen. Aan de verwerping van de transactiewaardemethode heeft de Inspecteur het gevolg verbonden dat de douanewaarde van de bevestigingsmiddelen moet worden vastgesteld met gebruikmaking van de methode van de redelijke middelen als bedoeld in artikel 31 van het CDW. Aan die methode heeft hij invulling gegeven door de oorspronkelijke transactiewaarde te gebruiken maar daarbij uit te gaan van de leveringsvoorwaarde ‘cost, insurance, and freight’ in plaats van de leveringsvoorwaarde DDP.
De Rechtbank heeft de behandeling van het hiervoor in 3.7 bedoelde beroep betreffende de uitnodigingen tot betaling van douanerechten en antidumpingrechten voortgezet en daarbij gelijktijdig het rechtstreeks tegen de hiervoor in 3.10 bedoelde beschikking ingestelde beroep behandeld. Zij heeft de beide beroepen gegrond verklaard en de uitnodigingen tot betaling alsmede de hiervoor in 3.10 bedoelde beschikking vernietigd.
4.De oordelen van het Hof
Volgens het middel heeft het Hof die stelling van de Inspecteur niet kunnen verwerpen op basis van hetgeen de Hoge Raad in rechtsoverweging 2.5.2 van het arrest van 29 juni 2018 heeft overwogen. De Hoge Raad heeft namelijk in dat arrest, aldus het middel, nadrukkelijk in zijn beschouwing betrokken dat in cassatie niet meer in geschil was het oordeel van het gerechtshof dat de belanghebbende met zijn leverancier de leveringsvoorwaarde DDP was overeengekomen. Het middel wijst daarvoor op de eerste alinea van rechtsoverweging 2.4.2 en de slotzin van rechtsoverweging 2.5.2 van het arrest van 29 juni 2018. Bovendien, zo tekent middel I aan, hoeft de beoordeling van het standpunt dat in werkelijkheid niet de leveringsvoorwaarde DDP tussen belanghebbende en de Indonesische onderneming is overeengekomen, niet uitsluitend plaats te vinden in een procedure als bedoeld in artikel 181 bis van de UCDW dan wel artikel 140 van de UDWU, aangezien het een standpunt betreft dat valt binnen de context van de methode zoals voorzien in artikel 29 (met inbegrip van de artikelen 32 en 33) van het CDW.
Om met succes het standpunt te kunnen verdedigen dat verkoper en koper in werkelijkheid niet de leveringsvoorwaarde DDP zijn overeengekomen en de bij de douaneaangifte opgegeven douanewaarde te herzien, staan de inspecteur namelijk volgens de geldende bepalingen twee instrumenten ter beschikking.
Anders dan geldt voor de bezwaarfase, brengen de algemene beginselen van procesrecht mee dat niet kan worden aanvaard dat het de inspecteur wordt toegestaan om na de aanvang van een gerechtelijke procedure de in artikel 181 bis van de UCDW en artikel 140 van de UDWU neergelegde (onderzoeks)bevoegdheden uit te oefenen en op die manier de wederpartij te dwingen aan de hiervoor in 5.3.3, laatste alinea omschreven bewijsvoering in haar nadeel mee te werken. [11] Wanneer eenmaal beroep bij de rechter is ingesteld betreffende een uitnodiging tot betaling, staat het de inspecteur daarom niet meer vrij om het resultaat van een pas tijdens die beroepsfase doorlopen procedure bedoeld in artikel 181 bis van de UCDW en artikel 140 van de UDWU te gebruiken voor de bewijsvoering betreffende de in het geding zijnde uitnodiging tot betaling.
7.Slotsom
8.Overschrijding van de redelijke termijn in de cassatieprocedure
9.Proceskosten
Door het gerechtshof na terugwijzing zal worden beoordeeld of aan belanghebbende voor de kosten van het geding voor het Hof en van het geding voor de Rechtbank en in verband met de behandeling van het bezwaar een vergoeding moet worden toegekend.