De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag over een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel van betrokkene, veroordeeld voor deelneming aan een criminele organisatie die zich bezighield met phishingfraude, witwassen en heling.
Het hof had het wederrechtelijk verkregen voordeel geschat op basis van de totale opbrengst van de oplichtingen in de bewezenverklaarde periode, verminderd met geschatte kosten en het deel van een medeverdachte. Dit bedrag werd vervolgens pondspondsgewijs verdeeld over betrokkene en andere hoofdrolspelers, omdat geen concrete aanwijzingen voor een andere verdeling aanwezig waren.
De Hoge Raad bevestigt dat de mate van toerekening van het voordeel niet strikt aan wettige bewijsmiddelen hoeft te worden ontleend, maar kan worden gebaseerd op de feiten en omstandigheden die tijdens het onderzoek en de terechtzitting zijn vastgesteld. Ook oordeelt de Hoge Raad dat het hof voldoende heeft gemotiveerd waarom het tot de gekozen verdeling is gekomen, mede gezien het ontbreken van inzicht van betrokkene in de verdeling.
Verder wordt bevestigd dat alleen kosten die direct in relatie staan tot het delict in mindering mogen worden gebracht, en dat de rechter bij verwerping van een gemotiveerd kostenverweer dit moet motiveren. De Hoge Raad wijst het cassatieberoep af en constateert dat de redelijke termijn is overschreden, zonder dat dit tot rechtsgevolgen leidt.