Uitspraak
1.Procesverloop
2.Uitgangspunten en feiten
3.Beoordeling van het middel
4.Beslissing
13 maart 2026.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Hoge Raad
Deze zaak betreft de vraag of het verrekeningsverbod van artikel 54 Faillissementswet Pro (Fw) dat geldt voor inkomende betalingen op een bankrekening na het moment dat de bank weet of behoort te weten dat het faillissement van de rekeninghouder te verwachten is, ook geldt voor de verrekening van schulden die ontstaan door uitgaande betalingen die de bank daarna namens de rekeninghouder verricht.
De vennootschap hield een rekening-courantverhouding bij Rabobank en ontving op 14 april 2020 een NOW-subsidie van € 15.478,-- die werd bijgeschreven op haar rekening. Kort daarna werd de vennootschap failliet verklaard. Rabobank verrekende de binnengekomen betaling met haar vordering uit hoofde van de rekening-courant, maar gebruikte de daardoor ontstane kredietruimte voor uitgaande betalingen aan schuldeisers. De curator vorderde dat deze verrekening onrechtmatig was en dat het bedrag van de NOW-subsidie aan de boedel moest worden afgedragen.
De rechtbank wees de vordering af omdat niet vaststond dat Rabobank niet te goeder trouw was. Het hof bevestigde dat de bank uitgaande betalingen mocht verrekenen met de binnengekomen betaling na het peilmoment, omdat dit geen ongerechtvaardigde bevoordeling van de bank oplevert. De Hoge Raad oordeelt echter dat het hof onjuist heeft geoordeeld en bevestigt de vaste rechtspraak dat de bank zich na het peilmoment niet op verrekening mag beroepen, ook niet voor uitgaande betalingen die na dat moment worden verricht. Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor verdere behandeling.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof en bevestigt dat het verrekeningsverbod van artikel 54 Fw ook geldt voor uitgaande betalingen na het peilmoment, en verwijst de zaak terug naar het gerechtshof.