Uitspraak
1.Procesverloop
De advocaten van Rabobank hebben schriftelijk op die conclusie gereageerd.
2.Beoordeling van het middel
3.Beslissing
13 maart 2026.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Hoge Raad
In deze zaak stond de vraag centraal of een bank verplicht is inkomende betalingen die na de peildatum van artikel 54 Faillissementswet Pro (Fw) zijn gecrediteerd, af te dragen aan de faillissementsboedel, voor zover met de daardoor ontstane kredietruimte uitgaande betalingen zijn verricht. Rabobank stelde dat het hof ten onrechte had miskend dat artikel 54 Fw Pro deze afdracht niet verplicht stelt.
De procedure omvatte eerdere vonnissen van de rechtbank Zeeland-West-Brabant en een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch. Rabobank stelde beroep in cassatie in tegen het arrest van het hof. De Advocaat-Generaal adviseerde het cassatieberoep te verwerpen.
De Hoge Raad oordeelde dat de door Rabobank verdedigde rechtsopvatting onjuist is, mede gelet op een gelijktijdige uitspraak in een vergelijkbare zaak (ECLI:NL:HR:2026:390). De Hoge Raad verwierp het beroep en veroordeelde Rabobank in de proceskosten.
Deze uitspraak bevestigt dat de verrekening van schulden en vorderingen in faillissement strikt moet worden toegepast en dat inkomende betalingen na de peildatum niet automatisch aan de boedel hoeven te worden afgedragen indien daarmee uitgaande betalingen zijn verricht.
Uitkomst: Het cassatieberoep van Rabobank wordt verworpen en Rabobank wordt veroordeeld in de proceskosten.