In deze zaak heeft de Hoge Raad op 30 januari 2026 uitspraak gedaan in een cassatieprocedure betreffende partneralimentatie. De man, verzoeker tot cassatie, had tegen een beschikking van het gerechtshof 's-Hertogenbosch beroep in cassatie ingesteld, nadat het hof de door de rechtbank vastgestelde partneralimentatie had verlaagd. De rechtbank had de alimentatie vastgesteld op € 2.948,-- bruto per maand, met ingang van de inschrijving van de echtscheidingsbeschikking op 7 september 2023. Het hof verlaagde deze alimentatie echter tot € 18,-- per maand, met dezelfde ingangsdatum. De man verzocht om terugbetaling van de te veel betaalde alimentatie, maar dit verzoek werd door het hof afgewezen. De Hoge Raad oordeelde dat het hof onvoldoende behoedzaam had gehandeld bij het vaststellen van de ingangsdatum van de verlaging van de alimentatie, en dat het hof niet had gemotiveerd waarom de verlaging met terugwerkende kracht was toegepast. De Hoge Raad vernietigde de beschikking van het hof en verwees de zaak naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden voor verdere behandeling. Deze uitspraak benadrukt de noodzaak van behoedzaamheid bij het verlagen van alimentatie met terugwerkende kracht, vooral in situaties waar dit kan leiden tot ingrijpende gevolgen voor de onderhoudsgerechtigde.