ECLI:NL:HR:2026:1303

Hoge Raad

Datum uitspraak
17 juli 2026
Publicatiedatum
17 juli 2026
Zaaknummer
25/02091
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 40a Ow (oud)Art. 40b lid 2 Ow (oud)Art. 40c Ow (oud)Art. 40d Ow (oud)Art. 40e Ow (oud)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad over eliminatieregel en planschade bij onteigening nabij Eindhoven Airport

Deze zaak betreft de schadeloosstelling wegens onteigening van grond nabij Eindhoven Airport voor de aanleg van een verbindingsweg. De kernvraag is of bij de waardebepaling van het onteigende moet worden uitgegaan van het geldende bestemmingsplan of dat dit bestemmingsplan moet worden geëlimineerd op grond van de eliminatieregel (art. 40c oud Ow). Daarnaast is aan de orde of de onteigende aanspraak kan maken op vergoeding van planschade (art. 40e oud Ow).

De rechtbank had geoordeeld dat het huidige bestemmingsplan niet geëlimineerd moest worden en dat geen vergoeding voor planschade toekwam. De Hoge Raad stelt dat de rechtbank een onjuiste rechtsopvatting heeft gehanteerd bij de toepassing van de eliminatieregel, met name door onvoldoende aandacht te besteden aan de vraag of er sprake was van een concreet plan ter plaatse van het onteigende. Ook heeft de rechtbank onvoldoende gemotiveerd waarom geen uitzondering op de planschaderegels wordt gemaakt gezien de bijzondere context van onteigening.

De Hoge Raad vernietigt het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant en verwijst de zaak naar het gerechtshof ’s-Hertogenbosch voor verdere behandeling. De Gemeente wordt veroordeeld in de kosten van het cassatiegeding.

Uitkomst: Het vonnis van de rechtbank wordt vernietigd en de zaak wordt verwezen naar het gerechtshof voor verdere behandeling.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CIVIELE KAMER
Nummer25/02091
Datum17 juli 2026
ARREST
In de zaak van
[onteigende],
wonende te [woonplaats], België,
EISER tot cassatie,
hierna: [onteigende],
advocaten: R.T. Wiegerink en J.A.M.A. Sluysmans,
tegen
GEMEENTE EINDHOVEN,
zetelende te Eindhoven,
VERWEERSTER in cassatie,
hierna: de Gemeente,
advocaat: R.M. Andes.

1.Procesverloop

Voor het verloop van het geding tot dusver verwijst de Hoge Raad naar:
a. zijn arrest in de zaak 20/03184 (ECLI:NL:HR:2021:1421) van 1 oktober 2021;
b. de vonnissen in de zaak C/01/361345 / HA ZA 20-507 van de rechtbank Oost-Brabant van 16 september 2020, 13 oktober 2021 en 16 april 2025.
[onteigende] heeft tegen het vonnis van de rechtbank van 16 april 2025 beroep in cassatie ingesteld.
De Gemeente heeft een verweerschrift tot verwerping ingediend.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten, en voor de Gemeente mede door T. van Malssen.
De conclusie van de Advocaat-Generaal W.L. Valk strekt tot verwerping van het cassatieberoep.

2.Uitgangspunten en feiten

2.1
Deze zaak betreft de schadeloosstelling wegens onteigening van grond nabij Eindhoven Airport voor de aanleg van een weg. In cassatie is de vraag aan de orde of bij de bepaling van de werkelijke waarde van het onteigende moet worden uitgegaan van het op de peildatum geldende bestemmingsplan, waarin het onteigende de bestemmingen verkeer, natuur en groen heeft, of dat dit bestemmingsplan op grond van art. 40c (oud) Onteigeningswet [1] (hierna: Ow) moet worden geëlimineerd, in welk geval de voordien geldende bestemmingen bedrijf en natuur in aanmerking genomen moeten worden. Indien het geldende bestemmingsplan niet wordt geëlimineerd, is aan de orde of aanleiding bestaat voor een tegemoetkoming in planschade op de voet van art. 40e (oud) Ow en of in dat verband een uitzondering moet worden gemaakt op het buiten het onteigeningsgeding geldende recht met betrekking tot tegemoetkoming in planschade.
2.2
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
(i) Bij Koninklijk Besluit zijn ter onteigening aangewezen twee delen van het perceel kadastraal bekend […] met een totale oppervlakte van 04.61.92 ha:
- grondplannummer 31.1 met een oppervlakte van 01.43.69 ha (14.369 m²)
- grondplannummer 31.2 met een oppervlakte van 00.00.06 ha (6 m²),
(hierna gezamenlijk: het onteigende).
(ii) Het onteigende was eigendom van [onteigende].
(iii) De onteigening heeft plaatsgevonden voor de uitvoering van bestemmingsplan “Weginfrastructuur omgeving Eindhoven Noordwest, Oirschot en Best” van de Gemeente (hierna: het huidige bestemmingsplan). Het huidige bestemmingsplan voorziet in de aanpassing en aanleg van infrastructuur om doorstroming van het verkeer ten noordwesten van Eindhoven te bevorderen. Het doel hiervan is de verbetering van de bereikbaarheid van belangrijke economische functies van het gebied, zoals Eindhoven Airport en het bedrijventerrein Flight Forum.
(iv) Het onteigende bestond voor een deel uit bos en voor een deel uit onbebouwd verhard terrein. Op het onteigende is een deel van de nieuwe verbindingsweg tussen de [a-straat] en de [b-straat]/[c-straat] aangelegd.
(v) Voorafgaand aan het huidige bestemmingsplan gold voor het onteigende het bestemmingsplan “Bedrijventerrein Eindhoven Airport” (hierna: het vorige bestemmingsplan). Van de onteigende perceelsgedeelten van 14.375 m², had, onder het oude bestemmingsplan, 5.355 m² de bestemming Bedrijf, 8.833 m² de bestemming Natuur en 187 m² de bestemming Verkeer.
(vi) Het huidige bestemmingsplan is op 6 juni 2017 vastgesteld en op 4 augustus 2017 in werking getreden. Op 8 juli 2018 is het onherroepelijk geworden. Van de onteigende perceelsgedeelten van 14.375 m², heeft, onder het huidige bestemmingsplan, 2.748 m² de bestemming Natuur, 9.436 m² de bestemming Verkeer en 2.191 m² de bestemming Groen.
(vii) De peildatum voor de vaststelling van de omvang van de schade is 5 november 2021, de datum waarop het vonnis tot vervroegde onteigening is ingeschreven in de openbare registers.
2.3
Bij tussenvonnis [2] heeft de rechtbank de vervroegde onteigening uitgesproken, aan de deskundigen opgedragen de schadeloosstelling te begroten en het voorschot op de schadeloosstelling voor [onteigende] vastgesteld op € 648.774,--.
2.4
De rechtbank heeft bij eindvonnis [3] de schadeloosstelling voor [onteigende] vastgesteld op € 40.546,-- (bestaande uit € 8.246,-- voor de waarde van het onteigende en € 32.300,-- voor een nieuw hek om het overblijvende deel van het perceel) en hem veroordeeld tot terugbetaling aan de Gemeente van € 608.228,--, zijnde het verschil tussen het hiervoor in 2.3 genoemde voorschot en de schadeloosstelling. Daartoe heeft de rechtbank, samengevat, het volgende overwogen.
Het advies van de deskundigen
In het definitieve rapport adviseren de deskundigen de schadeloosstelling vast te stellen op € 40.546,--. De deskundigen gaan ervan uit dat de eliminatieregel niet wordt toegepast en dat geen vergoeding voor planschade wordt voldaan. De deskundigen hebben ook twee alternatieve scenario’s uitgewerkt. In scenario I (niet elimineren van het huidige bestemmingsplan, wel vergoeding planschade) is de schadeloosstelling € 727.063,-- en in scenario II (wel elimineren) is de schadeloosstelling € 1.052.413,--. (rov. 3.1 en 3.2)
Eliminatiebeginsel
Uitgangspunt is dat de waarde van het onteigende wordt bepaald op grond van het huidige bestemmingsplan. Op grond daarvan rust op het grootste deel van het onteigende de bestemming Verkeer. Als het huidige bestemmingsplan zou worden geëlimineerd, moet de waarde worden bepaald op grond van het vorige bestemmingsplan. Op grond daarvan rust op het grootste deel van het onteigende de bestemming Bedrijf dan wel Natuur. (rov. 3.13-3.16)
Het huidige bestemmingsplan moet niet worden geëlimineerd. Voor de vraag of het huidige bestemmingsplan moet worden geëlimineerd, is de planologische voorgeschiedenis van dit plan van belang. Die voorgeschiedenis duidt erop dat het bestemmingsplan zijn normale rol in de ruimtelijke ordening heeft vervuld en dat de bestemming niet zo rechtstreeks voortvloeit uit een reeds bestaand, concreet plan voor het werk waarvoor onteigend wordt, dat die bestemming met het plan waarvoor onteigend wordt moet worden vereenzelvigd. (rov. 3.20-3.22)
De zin ‘voorliggend bestemmingsplan maakt de nieuwe weginfrastructuur juridisch-planologisch mogelijk’ in het voorontwerpbestemmingsplan duidt er niet op dat het huidige bestemmingsplan uitsluitend is vastgesteld om de juridisch-planologische onderbouwing voor het werk te geven. Dit is een standaardzin die in de meeste bestemmingsplannen zal worden aangetroffen. De omstandigheid dat het bestemmingsplan alleen de ontwikkeling van de infrastructuur heeft mogelijk gemaakt en niet tevens een door het Waterschap verzochte ontwikkeling doet daar niet aan af, omdat daaruit niet volgt dat sprake was van een bestaand concreet plan. (rov. 3.24)
De deskundigen zijn, bij hun oordeel dat nog geen (voldoende) concreet plan voorlag, uitgegaan van het moment van vaststelling van het huidige bestemmingsplan en niet, zoals [onteigende] betoogt, van het moment van het opstellen van het bestemmingsplan. (rov. 3.25)
De deskundigen zijn van mening dat de op 24 april 2015 gepubliceerde bestuursovereenkomst, waarin een tracé is opgenomen over het perceel van [onteigende], niet kan worden aangemerkt als een voldoende concreet plan. [onteigende] en ook de gemeente hebben daar geen bezwaren tegen geuit. De deskundigen hebben overwogen dat het plan/project voor de aanpassing van de infrastructuur in Eindhoven-Noordwest in nauwe samenspraak tussen drie betrokken gemeenten en de provincie is ontwikkeld. De Gemeente heeft daarbij een regierol gehad. De bestuursovereenkomst is de basis geweest voor verdere planuitwerking. In aansluiting daarop zijn in het kader van de milieueffectrapportage verschillende varianten/alternatieven voor de aanpassingen van de infrastructuur onderzocht. Die onderzoeken hebben uiteindelijk geleid tot een definitieve keuze van de Gemeente. De deskundigen hebben de rol van de bestuursovereenkomst in het proces van ruimtelijke ordening beoordeeld en zijn tot de conclusie gekomen dat sprake is geweest van een gebruikelijk verloop van onderzoek en planvorming. De rechtbank neemt de motivering van de deskundigen wat betreft de bestuursovereenkomst over. (rov. 3.28)
[onteigende] wijst op de pogingen tot minnelijke verwerving vanaf 2015, de tekeningen gevoegd bij het besluit van januari 2016 in het kader van de Wet voorkeursrecht gemeenten en de kaart die bij de brief van 31 mei 2016 is gevoegd. Ook ten aanzien hiervan zijn de deskundigen van mening dat niet blijkt dat er sprake was van een voldoende concreet plan. Op deze momenten werden nog meerdere tracé-varianten onderzocht. In het voorontwerpbestemmingsplan (van juni 2016) is vooruitgelopen op het toetsingsadvies van de commissie voor de milieueffectenrapportage (november 2016), terwijl ook in het ontwerpbestemmingsplan en uiteindelijk het bestemmingsplan zelf nog aanpassingen zijn doorgevoerd. Volgens de deskundigen blijkt hieruit niet dat er sprake is geweest van een anders verlopen planologie. Als het gaat om een plan voor het werk, dan moet ook het hele werk uitgewerkt zijn. Op gemeentelijk niveau kan het volgens de deskundigen nooit zo zijn dat pas bij de vaststelling van het bestemmingsplan concreet naar bestemmingen wordt gekeken. Een bestemmingsplan is een sluitstuk, zodat er altijd sprake is van een voorafgaand plan in de vorm van een visie of ontwikkelingsprogramma’s. Ook is er altijd sprake van (ambtelijke) voorbereidingen, zoals een globaal tracé met diverse mogelijke varianten. (rov. 3.29)
Bovendien blijkt uit de toelichting op het bestemmingsplan dat daarin op perceelsniveau is afgewogen wat een goede ruimtelijke ordening zou zijn. Zo is rekening gehouden met de locaties van waardevolle bomen en is op perceelsniveau onderzoek gedaan naar geluidbelasting en de impact op natuurwaarden en de daarbij behorende natuurtoets. (rov. 3.30)
De Gemeente heeft een leidende rol gehad en de voorbereiding van het huidige bestemmingsplan is normaal verlopen, aldus de deskundigen. De rechtbank neemt ook deze overwegingen van de deskundigen over. [onteigende] heeft niet heeft aangeduid vanaf welk moment het proces van planvorming dan anders is verlopen, of welk aanwijsbaar concreet plan vooraf is gegaan aan de voorbereiding van het bestemmingsplan. (rov. 3.31)
Volgens [onteigende] is de verdamping van de waarde van het onteigende evident. In 2005 is het hele perceel voor € 1.070.000,-- gekocht. Daarvan wordt ongeveer een derde deel onteigend, waarvan 5.500 m² met de bestemming Bedrijf. Zonder eliminatie van het huidige bestemmingsplan wordt voor die grond ongeveer € 8.000,-- betaald, aldus [onteigende]. De rechtbank volgt [onteigende] hierin niet, omdat de ratio van elimineren niet zit in het opvangen van waardeverdamping. Bij toepassing van de eliminatieregel kan het zowel gaan om voordelen als om nadelen die teweeg worden gebracht door het werk waarvoor onteigend wordt of de plannen daarvoor. De deskundigen hebben tijdens het pleidooi toegelicht dat de waardevermindering van het perceel van [onteigende] het gevolg is van een nadelige bestemmingswijziging. De rechtbank sluit zich aan bij het standpunt van de deskundigen dat dit geen gevolg is van de onteigening. (rov. 3.32 en 3.33)
De conclusie is dat aan de voorwaarden om te elimineren niet is voldaan en dat bij de waardebepaling dus rekening moet worden gehouden met het huidige bestemmingsplan. (rov. 3.34)
Vergoeding planschade
Nu eliminatie niet aan de orde is, is de volgende vraag of [onteigende] op grond van art. 40e (oud) Ow in aanmerking komt voor vergoeding van planschade. Op grond van art. 40e (oud) Ow wordt bij het bepalen van de werkelijke waarde de prijs vermeerderd met nadelen die het gevolg zijn van bestemmingen die tot uitvoering komen door het werk waarvoor onteigend wordt. (rov. 3.35)
De deskundigen hebben in hun rapport een vergelijking gemaakt tussen de waarde van het hele perceel bij maximale invulling van de bouw- en gebruiksmogelijkheden in respectievelijk de vorige en de huidige planologische situatie. Op basis daarvan komen de deskundigen tot de conclusie dat er voor [onteigende] sprake is van nadeel omdat de bedrijfsbestemming van het perceel is vervallen. (rov. 3.36)
Dit nadeel dient redelijkerwijs geheel of gedeeltelijk ten laste van [onteigende] te blijven als hij het risico van bestemmingswijziging actief of passief heeft aanvaard. Volgens de deskundigen is sprake van passieve risicoaanvaarding. (rov. 3.37)
Bij de beoordeling van planschade bij art. 40e (oud) Ow worden de beperkende planschadecriteria, zoals de voorzienbaarheid, in beginsel net zo toegepast als in het planschaderecht. De eerste vraag die moet worden beantwoord is wanneer voor [onteigende] voorzienbaar was dat de planologische situatie zou gaan wijzigen. Volgens de deskundigen blijken concrete beleidsvoornemens uit de bestuursovereenkomst. De rechtbank is dat met de deskundigen eens. Vanaf de publicatie van de bestuursovereenkomst op 24 april 2015 heeft [onteigende] rekening kunnen houden met de kans dat de nieuwe weg over zijn perceel zou worden aangelegd en dat dit mogelijk gevolgen zou hebben voor de benuttingsmogelijkheden. De bestuursovereenkomst dient enerzijds niet te worden aangemerkt als een concreet plan voor het werk, maar anderzijds wel als een concreet beleidsvoornemen waarbij rekening diende te worden gehouden met de kans op een wijziging van de planologische situatie in nadelige zin. (rov. 3.40-3.44)
Vervolgens moet de vraag worden beantwoord of [onteigende] onder het oude planologische regime concrete pogingen tot realisering van de bestaande bouw- en gebruiksmogelijkheden heeft ondernomen. Op 15 januari 2016 heeft [onteigende] een omgevingsvergunning aangevraagd voor een bouwplan voor het bedrijfsgedeelte van zijn perceel. Deze vergunningaanvraag kan niet dienen als een concrete poging omdat deze in strijd was met het destijds geldende bestemmingsplan door een overschrijding van het bouwvlak met 2,48 meter. Ook hebben de deskundigen erop gewezen dat de omvang van dat bouwplan ook op grond van het huidige bestemmingsplan kan worden gerealiseerd. Daarom is er met die aanvraag geen sprake geweest van de benutting van een bouwmogelijkheid die door het huidige bestemmingsplan verloren is gegaan. (rov 3.45-3.46)
De conclusie is dat [onteigende] geacht moet worden het risico van een nadelige bestemmingswijziging passief te hebben aanvaard. (rov. 3.47)
Uitzondering op planschaderegels?
Uit rechtspraak van de Hoge Raad blijkt dat de maatstaven bij de begroting van planschade op grond van art. 40e (oud) Ow gelijk zijn aan die volgens het ruimtelijk ordeningsrecht (art. 49 Wet Pro op de Ruimtelijke Ordening (oud) en art. 6.1 Wet ruimtelijke ordening (oud)). Wel kan de context van gedwongen eigendomsontneming soms pleiten voor een beredeneerde uitzondering op wat buiten die context geldt. Volgens de deskundigen is een uitzondering in deze zaak denkbaar, omdat het in de gegeven omstandigheden onredelijk kan zijn om aan [onteigende] tegen te werpen dat hij geen gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid om een bouwplan in te dienen. (rov. 3.48-3.49)
Naar het oordeel van de rechtbank is er geen overtuigende reden voor afwijking van de maatstaven die gelden in het ruimtelijk ordeningsrecht. Aan het einde van de benuttingsperiode heeft [onteigende] nog wel geprobeerd om de gunstige bestemming te realiseren. Deze aanvraag heeft echter tot niets geleid omdat er sprake is geweest van een fout in de tekening veroorzaakt door zijn architect. Ook de gewijzigde bouwtekening voldeed niet. Deze feiten en omstandigheden dienen voor rekening en risico van [onteigende] te blijven. Als onder meer op grond hiervan zou worden geoordeeld dat aan [onteigende] geen passieve risicoaanvaarding moet worden tegengeworpen, komen de gevolgen uiteindelijk voor rekening van de gemeente. Dat komt de rechtbank niet redelijk voor. (rov. 3.52)

3.Beoordeling van het middel

3.1
Onderdeel 1 van het middel is gericht tegen het oordeel van de rechtbank in rov. 3.13-3.34 van het eindvonnis dat het huidige bestemmingsplan niet moet worden geëlimineerd bij de bepaling van de werkelijke waarde van het onteigende.
Onderdeel 1.1 bestrijdt het oordeel van de rechtbank in rov. 3.22 dat de planologische voorgeschiedenis erop duidt dat het (huidige) bestemmingsplan zijn normale rol in de ruimtelijke ordening heeft vervuld en de bestemming niet zo rechtstreeks voortvloeit uit een reeds bestaand, concreet plan, dat die bestemming met het plan waarvoor wordt onteigend, moet worden vereenzelvigd. Het onderdeel klaagt onder meer dat dit oordeel blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting, omdat het er bij de toepassing van de eliminatieregel niet, althans niet alleen, om gaat te beoordelen of het bestemmingscriterium zijn normale rol in de ruimtelijke ordening heeft vervuld, maar dat (ook) relevant is of de bestemming die aan het onteigende is gegeven, door niets anders is bepaald dan een ten tijde van de vaststelling van het bestemmingsplan al bestaand concreet plan.
Onderdeel 1.3 richt zich tegen rov. 3.29, waarin de rechtbank zich volgens het onderdeel kennelijk aansluit bij de overweging van de deskundigen dat uit (i) de pogingen van de Gemeente tot minnelijke verwerving vanaf 2015, (ii) de tekeningen gevoegd bij het besluit van januari 2016 in het kader van de Wet voorkeursrecht gemeenten en (iii) de kaart die bij de brief van 31 mei 2016 is gevoegd, niet volgt dat sprake is van een voldoende concreet plan, omdat op deze momenten nog meerdere tracévarianten werden onderzocht, in het voorontwerpbestemmingsplan werd vooruitgelopen op de milieueffectenrapportage en uiteindelijk ook in het bestemmingsplan nog aanpassingen werden doorgevoerd. Het onderdeel klaagt dat dit oordeel onjuist, althans onbegrijpelijk is. Met haar overweging dat op de hiervoor vermelde momenten nog tracévarianten werden onderzocht, heeft de rechtbank miskend dat het slechts erom gaat of ten tijde van het vaststellen van het bestemmingsplan sprake was van een concreet plan ter plaatse van het onteigende. Relevant is daarom slechts of in de plannen ter plaatse van het onteigende is voorzien in de aanleg van het wegtracé, omdat dit het werk is ten behoeve waarvan de onteigening plaatsvindt en irrelevant is daarom of de plannen voor het deel van het werk dat niet op het onteigende is gelegen, in de loop van de tijd aan veranderingen onderhevig zijn geweest, aldus het onderdeel. Het onderdeel klaagt voorts dat het oordeel van de rechtbank onbegrijpelijk is in het licht van het betoog van [onteigende] dat vanaf het tijdstip dat de Challenge-variant is opgesteld (in 2013 en 2014), in de planvorming steeds sprake is geweest van een over het onteigende lopend wegtracé.
Onderdeel 1.5 klaagt dat de rechtbank met haar oordeel in rov. 3.31 dat [onteigende] niet heeft gesteld welk aanwijsbaar plan concreet is voorafgegaan aan de voorbereiding van het bestemmingsplan, haar zelfstandige taak om de schadeloosstelling vast te stellen heeft miskend. Het onderdeel klaagt voorts dat het oordeel onbegrijpelijk is omdat [onteigende] onder meer heeft gewezen op brieven van de Gemeente van 1 december 2015 en 31 mei 2016.
3.2.1
Bij de beoordeling van de hiervoor in 3.1 weergegeven klachten dient het volgende tot uitgangspunt. [4]
De onteigende heeft recht op volledige schadeloosstelling, te begroten naar het peilmoment van art. 40a (oud) Ow, veelal – en ook in deze zaak – het moment dat het vervroegde onteigeningsvonnis wordt ingeschreven. Daarbij is de werkelijke waarde van het onteigende bepalend, te stellen op de prijs tot stand gekomen bij een veronderstelde koop in het vrije commerciële verkeer tussen de onteigende als redelijk handelende verkoper en de onteigenaar als redelijk handelende koper (art. 40b lid 2 (oud) Ow). De onteigening behoort voor de onteigende partij in financieel opzicht nadeel noch voordeel mee te brengen. [5]
Bij het bepalen van de in art. 40b lid 2 (oud) Ow bedoelde koopprijs is uitgangspunt dat rekening wordt gehouden met de exploitatie die het geldende bestemmingsplan op het onteigende toelaat.
Op grond van art. 40c (oud) Ow wordt bij het bepalen van de schadeloosstelling geen rekening gehouden met voordelen of nadelen teweeggebracht door (1) het werk waarvoor onteigend wordt, (2) overheidswerken die in verband staan met het werk waarvoor onteigend wordt en (3) de plannen voor de werken onder 1 en 2 bedoeld.
Deze zogenoemde ‘eliminatieregel’ brengt onder meer mee dat de waardevermeerderende of waardeverminderende invloed van een bestemmingsplan bij de vaststelling van de werkelijke waarde van het onteigende buiten beschouwing moet blijven, voor zover de in het bestemmingsplan aan het onteigende gegeven bestemming door niets anders is bepaald dan een ten tijde van de vaststelling van dat bestemmingsplan al bestaand concreet plan voor een werk ter plaatse van in elk geval het onteigende, en het bestemmingsplan in zoverre dan ook slechts is vastgesteld teneinde daarmee de juridisch-planologische onderbouwing en regeling te geven om de beoogde aanleg van het werk waarvoor onteigend wordt mogelijk te maken. Dit betekent dat voor eliminatie alleen plaats is indien de plannen voor het werk waarvoor wordt onteigend, concreet zijn op het moment waarop de juridisch-planologische grondslag wordt bepaald. Plannen met een algemeen karakter die nog nader moeten worden uitgewerkt zijn dat niet. [6] Gezien het uitzonderingskarakter van art. 40c (oud) Ow moet deze bepaling terughoudend worden toegepast. [7]
Toegesneden op het onderhavige geval is een plan concreet indien het de aanleg van de nieuwe verbindingsweg tussen de [a-straat] en de [b-straat]/[c-straat] op het onteigende perceelsgedeelte behelst. [8]
3.2.2
In het licht van hetgeen hiervoor in 3.2.1 is overwogen, geeft het oordeel van de rechtbank dat het huidige bestemmingsplan niet moet worden geëlimineerd, ofwel blijk van een onjuiste rechtsopvatting, ofwel is dit oordeel niet toereikend gemotiveerd.
De rechtbank heeft blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting indien zij met haar overweging in rov. 3.29 dat “als het gaat om een plan voor het werk, dan moet ook het hele werk uitgewerkt zijn” tot uitdrukking heeft gebracht dat onderzoek naar verschillende tracévarianten die geen betrekking hebben op het gedeelte van het tracé van de weg ter plaatse van het onteigende en die daarop ook niet van invloed konden zijn, in de weg staat aan het oordeel dat sprake is van een concreet plan dat eliminatie van de huidige bestemming rechtvaardigt. Zoals volgt uit hetgeen hiervoor in 3.2.1 is overwogen, is voor de beantwoording van de vraag of een plan voldoende concreet is voor toepassing van de eliminatieregel, het plan ter plaatse van het onteigende bepalend, met dien verstande dat als een te maken keuze tussen varianten van het plan elders tot gevolg kan hebben dat ook het plan ter plaatse van het onteigende wordt gewijzigd, dit kan betekenen dat het plan ook ter plaatse van het onteigende niet voldoende concreet is.
Indien de rechtbank wel (uitsluitend) de hiervoor in 3.2.1 genoemde maatstaf heeft gehanteerd, is haar oordeel zonder nadere motivering onbegrijpelijk, omdat de door de rechtbank in rov. 3.29 genoemde omstandigheid dat in de periode 2015 tot mei 2016 nog meerdere tracévarianten zijn onderzocht, noch enige andere overweging van de rechtbank, de verwerping kan dragen van het betoog van [onteigende] (weergegeven in rov. 3.26 van het vonnis) dat na de keuze voor de (verbeterde) Challenge-variant, het wegtracé ter plaatse van het onteigende niet meer is gewijzigd. In het bijzonder heeft de rechtbank niet vastgesteld dat tot de tracévarianten die in 2015, januari 2016 en mei 2016 nog werden onderzocht, ook varianten behoorden waarbij de weg niet over het onteigende perceelsgedeelte liep.
De rechtbank heeft, zoals onderdeel 1.5 aan de orde stelt, ten onrechte geen kenbare aandacht besteed aan de stelling van [onteigende] dat het raadsvoorstel van 1 december 2015 tot aanwijzing van het perceel van [onteigende] op basis van de Wet voorkeursrecht gemeenten inhield dat “
zeker is dat het perceel van [[onteigende]] wordt doorkruist door de verbinding tussen de [b-straat]/[c-straat] en de [a-straat]” en dat op de tekening gevoegd bij de brief van de Gemeente aan [onteigende] van 31 mei 2016 het tracé over het perceel van [onteigende] al precies was te zien.
3.2.3
Het slagen van de in 3.1 genoemde klachten, brengt mee dat de overige klachten van onderdeel 1 geen behandeling behoeven.
3.3
Onderdeel 3 bestrijdt onder meer het oordeel van de rechtbank in rov. 3.52 van het eindvonnis dat er geen reden is voor afwijking van de maatstaven die gelden in het ruimtelijk ordeningsrecht voor vergoeding van planschade vanwege de bijzondere context van het onteigeningsrecht. Het onderdeel klaagt onder meer dat de rechtbank haar beslissing niet voldoende heeft gemotiveerd in het licht van de opvatting van de deskundigen dat van [onteigende] niet verlangd kon worden om de bestuursovereenkomst waarin de weg was opgenomen te negeren en een bouwplan in te dienen alsof er niets aan de hand was, om te voorkomen dat zijn aanspraak op vergoeding van planschade verloren zou gaan, aldus het onderdeel.
3.4.1
Op grond van art. 40e (oud) Ow kan planschade in het onteigeningsgeding voor vergoeding in aanmerking komen. Dat is het geval indien, kort gezegd, de waardedaling van het onteigende perceel als gevolg van een wijziging van de bestemming (ook na toepassing van de zogenoemde egalisatieregel van art. 40d (oud) Ow) redelijkerwijze niet of niet geheel ten laste van de onteigende behoort te blijven. Aan deze aanvullende aanspraak op grond van art. 40e (oud) Ow wordt logischerwijs niet toegekomen als eliminatie van een bestemming plaatsvindt op grond van de eliminatieregel van art. 40c (oud) Ow. [9]
Als uitgangspunt geldt dat de (beperkende) criteria die gelden bij de vergoeding van planschade buiten het onteigeningsgeding op de voet van art. 6.1 Wro (oud), ook gelden bij de vergoeding van planschade in het onteigeningsgeding op de voet van art. 40e (oud) Ow. Onder omstandigheden kan de bijzondere context van het onteigeningsrecht nopen tot een uitzondering op dit uitgangspunt. [10]
3.4.2
Het oordeel van de rechtbank dat er geen reden is voor afwijking van de maatstaven die gelden in het ruimtelijk ordeningsrecht voor vergoeding van planschade is zonder nadere motivering niet begrijpelijk, omdat de rechtbank geen kenbare aandacht heeft besteed aan de vraag of van [onteigende] kon worden verlangd dat hij, mede in aanmerking genomen dat tijdens de zogenoemde benuttingsperiode de Gemeente met hem gesprekken was gestart over minnelijke verwerving van (een deel van) zijn grond voor de aanleg van de verbindingsweg, het vooruitzicht van onteigening negeerde en bij de Gemeente een vergunningaanvraag zou indienen voor een met die weg onverenigbaar bouwwerk, met geen ander doel dan het behoud van zijn aanspraak op vergoeding van planschade.
De door de rechtbank genoemde omstandigheid dat [onteigende] tegen het einde van de benuttingsperiode nog wel een vergunningaanvraag heeft gedaan en deze tot niets heeft geleid door een fout in de tekening, is geen toereikende motivering voor bevestigende beantwoording van de hiervoor genoemde vraag. Als van [onteigende] niet verlangd kon worden dat hij een vergunningaanvraag indiende, kan de omstandigheid dat hij een aanvraag heeft ingediend die als gevolg van een fout tot niets heeft geleid, niet zonder meer reden zijn om aan te nemen dat er geen grond is voor een tegemoetkoming in planschade.
De hiervoor in 3.3 weergegeven klachten slagen daarom.
3.5
De overige klachten van het middel kunnen niet tot cassatie leiden. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie art. 81 lid 1 RO Pro).

4.Beslissing

De Hoge Raad:
- vernietigt het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant van 16 april 2025;
- verwijst het geding naar het gerechtshof ’s-Hertogenbosch ter verdere behandeling en beslissing;
- veroordeelt de Gemeente in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [onteigende] begroot op € 494,40 aan verschotten en € 2.600,-- voor salaris.
Dit arrest is gewezen door de vicepresident M.J. Kroeze als voorzitter en de raadsheren S.J. Schaafsma, F.R. Salomons, G.C. Makkink en B.P.M. van Ravels, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer F.R. Salomons op
17 juli 2026.

Voetnoten

1.Op 1 januari 2024 is een groot aantal bepalingen van de Onteigeningswet vervallen en daarvoor in de plaats zijn gekomen bepalingen van de op die datum in werking getreden Omgevingswet. In deze onteigeningsprocedure is op de voet van art. 4.4 Aanvullingswet grondeigendom Omgevingswet het oude recht van toepassing. Naar de op 1 januari 2024 vervallen bepalingen van de Onteigeningswet (Ow) wordt telkens verwezen met het tussenvoegsel “(oud)”.
2.Rechtbank Oost-Brabant 16 september 2020, ECLI:NL:RBOBR:2020:6956.
3.Rechtbank Oost-Brabant 16 april 2025, ECLI:NL:RBOBR:2025:2292.
4.Vgl. HR 26 mei 2023, ECLI:NL:HR:2023:777, rov. 3.2.1- 3.2.4
5.Zie ook HR 24 maart 2023, ECLI:NL:HR:2023:458, rov. 3.1.2 en HR 26 januari 2024, ECLI:NL:HR:2024:85, rov. 4.2.
6.Zie voor een en ander o.a. ook HR 15 januari 2016, ECLI:NL:HR:2016:68, rov. 3.3.3-3.3.4.
7.Zie ook HR 8 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1506, rov. 3.4.3.
8.Vgl. HR 26 mei 2023, ECLI:NL:HR:2023:777, rov. 3.2.5.
9.HR 26 januari 2024, ECLI:NL:HR:2024:85, rov. 4.3.
10.HR 26 januari 2024, ECLI:NL:HR:2024:85, rov. 4.5.